ECLI:NL:RBDHA:2018:1014
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag duurzaam verblijf na beëindiging huwelijk wegens onvoldoende middelen
Eiser, met de Turkse nationaliteit, verbleef rechtmatig in Nederland op grond van zijn huwelijk met een Bulgaarse vrouw. Na beëindiging van het huwelijk in maart 2014 diende hij een aanvraag in voor duurzaam verblijf op grond van EU-gemeenschapsrecht. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan het vereiste van vijf jaar rechtmatig verblijf en onvoldoende middelen van bestaan kon aantonen sinds de datum van het verzoek tot echtscheiding.
Eiser voerde aan dat hij als zelfstandige voldoende inkomen had en verwees naar het arrest Chakroun van het Hof van Justitie, stellende dat het beleid van verweerder onjuist was. Tevens stelde hij rechten te ontlenen aan het Turks Associatieverdrag en betoogde dat hij onterecht niet gehoord was. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor zijn zelfstandige inkomen en dat het beroep op Chakroun niet tot een ander oordeel leidde. Het beroep op het Associatieverdrag werd ingetrokken en het afzien van horen was gerechtvaardigd vanwege een kennelijk ongegrond bezwaar.
De rechtbank concludeerde dat het rechtmatig verblijf van eiser per 16 december 2013 was geëindigd en dat de afwijzing van de aanvraag voor duurzaam verblijf terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor duurzaam verblijf is ongegrond verklaard wegens onvoldoende middelen en beëindiging rechtmatig verblijf.