ECLI:NL:RBDHA:2018:10006
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens niet voorafgaand horen van vreemdeling
Eiser werd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld door verweerder, zonder dat hij voorafgaand aan deze maatregel was gehoord, zoals vereist volgens artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verweerder stelde dat het gehoor na de inbewaringstelling mocht plaatsvinden omdat er op het AZC geen beveiligde ruimte beschikbaar was, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet volstaat en dat het horen een elementair onderdeel van het proces is.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met het recht op rechtsbijstand van eiser, aangezien diens gemachtigde pas kort na aanvang van het gehoor aanwezig was. Hoewel dit geen zelfstandige grond was voor opheffing van de maatregel, was het recht op rechtsbijstand geschonden. De maatregel van bewaring was inmiddels opgeheven vanwege overdracht aan Italië, waardoor een bevel tot opheffing achterwege kon blijven.
De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €560 voor zeven dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten van €1.002 aan de gemachtigde van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van het voorafgaand horen van vreemdelingen bij inbewaringstelling en wijst de werkwijze van verweerder af.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, schadevergoeding toegekend en verweerder veroordeeld in proceskosten.