ECLI:NL:RBDHA:2017:9978

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2017
Publicatiedatum
1 september 2017
Zaaknummer
NL17.6354
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 18, eerste lid, onder d Dublinverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, een Libische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder wees dit verzoek af op basis van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat volgens de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser eerder asielaanvragen in Zwitserland en Duitsland had ingediend, waarbij Duitsland zijn aanvraag op 24 februari 2017 had afgewezen.

Eiser betwistte de verantwoordelijkheid van Duitsland niet, maar stelde dat hij geen vertrouwen had in de Duitse autoriteiten vanwege persoonlijke ervaringen, waaronder een aanval in de Duitse opvang en het ontbreken van een hoorzitting. Hij verzocht daarom om nader onderzoek of Nederland zijn aanvraag moest behandelen.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en verweerder mocht aannemen dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt. Eiser slaagde er niet in dit te weerleggen met bewijs. Zijn stellingen waren onvoldoende onderbouwd en er was geen aanleiding voor verweerder om het verzoek onverplicht in behandeling te nemen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.6354

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Çöplü).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag van 19 april 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.6355, plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Libische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 21 oktober 2011 in Zwitserland en op 9 juli 2014 en 13 december 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat eiser in Duitsland onder een andere naam en geboortedatum geregistreerd staat. Kort samengevat is verder gebleken dat de Duitse autoriteiten, nadat hun claimverzoeken door Zwitserland en Italië werden afgewezen, op 24 februari 2017 de asielaanvraag van eiser hebben afgewezen. Gelet op de beschikbare informatie zijn de autoriteiten van Duitsland op 9 mei 2017 gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Omdat zij niet binnen een termijn van twee weken op dit verzoek hebben gereageerd, staat daarmee sinds 24 mei 2017 de verantwoordelijkheid van Duitsland vast.
3.1
Eiser betwist niet dat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij voert echter aan door zijn eigen ervaringen zodanig weinig vertrouwen in de Duitse autoriteiten te hebben, dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag onverplicht aan zich moet trekken dan wel nader onderzoek moet doen naar de vraag of zijn asielaanvraag zorgvuldig zal worden behandeld. Eiser stelt in Duitsland niet te zijn gehoord. Ook stelt hij in de opvang in Duitsland aangevallen te zijn door personen van Libische afkomst. Eiser stelt dat de Duitse autoriteiten niets hebben gedaan nadat hij is aangevallen. Hierdoor heeft hij er geen vertrouwen in dat de Duitse autoriteiten zijn asielaanvraag zorgvuldig zullen behandelen.
3.2
Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft geen stukken overgelegd. Zijn stelling dat hij niet is gehoord, is zonder enige vorm van onderbouwing onvoldoende om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de asielprocedure in Duitsland. Dat de Duitse autoriteiten niets gedaan zouden hebben nadat eiser zou zijn aangevallen, heeft eiser evenmin onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat eiser hiervan aangifte heeft gedaan en dat de autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding hoeven te zien om eisers verzoek om internationale bescherming onverplicht in behandeling te nemen, dan wel een onderzoek in te stellen naar de zorgvuldigheid van eisers behandeling in Duitsland.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.