ECLI:NL:RBDHA:2017:9884
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen weigering asielaanvraag wegens Dublinverordening en verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, een Afghaanse nationaliteit, heeft op 26 mei 2017 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Uit het Eurodac-systeem blijkt dat eiser eerder asielaanvragen heeft ingediend in Zweden (6 november 2015 en 28 december 2015), Duitsland (14 maart 2016) en Denemarken (12 december 2016). De Duitse autoriteiten zijn op 27 juni 2017 gevraagd om eiser terug te nemen en zij hebben hiermee ingestemd op 30 juni 2017. Eiser betwist dat Duitsland verantwoordelijk is en voert aan dat Zweden als eerste asielaanvraagland verantwoordelijk zou moeten zijn en dat het claimverzoek niet is overgelegd.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is, omdat Duitsland het verzoek om internationale bescherming in behandeling heeft genomen en niet heeft overgedragen aan Zweden. Het claimverzoek is wel beschikbaar in het digitale dossier, zodat eiser hiervan kennis kon nemen. De rechtbank acht de acceptatie van de Duitse autoriteiten als inhoudelijke behandeling voldoende en wijst het beroep af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel op 1 september 2017.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.