Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij bedreigd werd door zijn voormalige werkgever vanwege het vervoeren van wapens en dat hij bij terugkeer in Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees de aanvraag af op grond van het ontbreken van voldoende bewijs voor het risico op ernstige schade.
De rechtbank overwoog dat hoewel de identiteit, nationaliteit en bedreigingen geloofwaardig werden geacht, eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn voormalige werkgever nog steeds naar hem op zoek was of dat hij geen bescherming van de autoriteiten kon verwachten. De rechtbank vond dat de verklaring van eiser over het zoeken door de werkgever onvoldoende onderbouwd was en dat het betoog over de onmogelijkheid van politiebescherming geen bespreking behoefde.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter T. Sleeswijk Visser-de Boer op 17 augustus 2017 en kan binnen vier weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.