ECLI:NL:RBDHA:2017:969

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2017
Publicatiedatum
6 februari 2017
Zaaknummer
17/1066
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Diepenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De reden hiervoor is dat Duitsland volgens Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Tijdens de zitting op 26 januari 2017 heeft de rechtbank vastgesteld dat eiser na afloop van de visumperiode in Frankrijk het Schengengebied heeft verlaten, waardoor de claim dat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn, faalt. Tevens is het claimakkoord van 24 november 2016 tussen de Duitse autoriteiten en Nederland relevant, waarin Duitsland verklaart verantwoordelijk te zijn.

De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond dat Duitsland onveilig zou zijn voor eiser onvoldoende is onderbouwd en dat er geen nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-in behandeling neming van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/1066
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.M. Post.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 januari 2017 (het
bestreden besluit), waarin verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft
genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat
Duitsland op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening)
verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017, tegelijk met de behandeling van het verzoek met nr. AWB 17/1067. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectievelijke gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.
2. De rechtbank overweegt allereerst dat er procesbelang aanwezig is. Het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) heeft eiser weliswaar met ingang van 6 januari 2017 vermeld als ‘met onbekende bestemming vertrokken’, maar eisers gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat zij contact heeft met eiser, laatstelijk vorige week.
3. De rechtbank overweegt voorts dat vaststaat dat eiser na afloop van de visumperiode in Frankrijk het Schengengebied heeft verlaten. Reeds daarom faalt de stelling dat verweerder ten onrechte niet Frankrijk maar Duitsland heeft verzocht het verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Daarbij wijst de rechtbank tevens op het claimakkoord van 24 november 2016, waarin de Duitse autoriteiten verklaren verantwoordelijk te zijn voor het verzoek.
4. Op de beroepsgrond dat het in Duitsland niet veilig is voor eiser, is in het bestreden besluit afdoende gereageerd. In beroep is deze grond niet nader onderbouwd en er zijn geen nieuwe omstandigheden in dit verband naar voren gebracht. De beroepsgrond treft daarom geen doel.
5. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Diepenhorst, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 26 januari 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.