ECLI:NL:RBDHA:2017:9668
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiser, een Marokkaanse jongeman, vroeg een visum voor kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van een relatie met de referent en onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.
Eiser betoogde dat zijn opa ernstig ziek is en dat hij alles heeft gedaan om aan te tonen dat hij Nederland binnen de visumperiode zal verlaten. De rechtbank overwoog dat de minister een ruime beoordelingsruimte heeft bij het toetsen van het terugkeerintentie en dat de sociale en economische bindingen van eiser onvoldoende zijn aangetoond.
De rechtbank vond dat de omstandigheden zoals het ontbreken van een gezin, het ontbreken van uitzonderlijke afhankelijkheid van familieleden in Marokko, en onvoldoende bewijs van een stabiel inkomen, rechtvaardigen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is het bestreden besluit gehandhaafd. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard.