De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige die door de moeder zonder toestemming van de vader in Nederland werd vastgehouden na een vakantieperiode. De minderjarige had zijn gewone verblijfplaats in Portugal, waar beide ouders gezamenlijk gezag uitoefenden volgens Portugees recht. De moeder had geen toestemming voor het langer verblijf in Nederland na 29 mei 2016.
De rechtbank oordeelde dat de achterhouding ongeoorloofd was in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag en dat de minderjarige nog niet geworteld was in Nederland, mede omdat hij meerdere keren langere perioden in Brazilië verbleef. Het beroep van de moeder op weigeringsgronden wegens risico op lichamelijk of geestelijk gevaar en fundamentele mensenrechten werd verworpen wegens onvoldoende bewijs en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank gelastte de terugkeer uiterlijk 1 september 2017 en veroordeelde de moeder tot betaling van €1.328 aan de vader voor gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding. Het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring werd afgewezen om het belang van het kind te waarborgen.