ECLI:NL:RBDHA:2017:8885
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Cuba wegens onvoldoende aannemelijk risico op schending mensenrechten
Eiser, een Cubaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na zijn vertrek uit Cuba waar hij militaire dienstplicht had vervuld en werkte bij de marine bewapening. Hij stelde dat hij geheime informatie had verkregen en dat hij geregistreerd stond in een speciaal veiligheidsregister, waardoor hij een uitreisverbod had en vreest voor straf bij terugkeer.
De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij gevoelige, niet-publiek toegankelijke informatie bezat of dat hij daadwerkelijk in het register stond. Het feit dat eiser een geldig paspoort had verkregen en het land legaal had verlaten, sprak tegen het bestaan van een uitreisverbod.
Eiser voerde in beroep aanvullende informatie en expertgetuigenis aan, maar de rechtbank vond dat de staatssecretaris niet onzorgvuldig had gehandeld door geen nader onderzoek te verrichten. Ook was onvoldoende aannemelijk dat eiser bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro loopt. De stellingen over de inbeslagname van een versleutelde harddrive en mogelijke straf wegens spionage werden als speculatief en ongeloofwaardig beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning asiel afgewezen.