ECLI:NL:RBDHA:2017:8788
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De reden hiervoor is dat België volgens artikel 18 van Pro de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, aangezien eiser eerder de asielprocedure in België heeft doorlopen en sindsdien het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.
De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor verweerder ervan uit mag gaan dat België zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat België dit niet doet, noch dat er sprake is van systeemfouten in de Belgische asielprocedure of opvangvoorzieningen. Het beroep op het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland uit 2011 faalt omdat dat arrest betrekking had op overdracht aan Griekenland en niet op België.
Ook het persoonlijke relaas van eiser en de afwijzing van zijn eerdere asielaanvraag in België bieden onvoldoende grond om te concluderen dat België zich niet houdt aan het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro, als humanitaire clausule, wordt verworpen omdat verweerder geen bijzondere feiten of omstandigheden heeft vastgesteld die toepassing daarvan rechtvaardigen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.