Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2017 in de zaken tussen
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
[bedrijf 1] B.V., te [vestigingsplaats 2] , vergunninghoudster.
Procesverloop
Overwegingen
worst case scenariovan een plasbrand bij verstopte afvoerputten- en goten is onwaarschijnlijk omdat deze wekelijks worden geïnspecteerd. Risico’s zijn niet geheel uit te sluiten, maar de kans op een gevaarlijke situatie als gevolg van kwade opzet acht verweerder gering. Daarom is het onbemand afleveren van brandstoffen in dit geval vergunbaar, aldus verweerder.
In de risicobeoordeling is – uitgaande van een plasbrand van 1 m2 – vastgesteld dat de warmtebelasting op de (dichtstbijzijnde) bebouwing 3 kW/m2 is. Dat betekent dat brandoverslag onwaarschijnlijk is. Het betoog van de VvE dat ten onrechte geen rekening is gehouden met brandoverslag naar auto’s en caravans in de buurt van de plasbrand slaagt niet, nu in het verweerschrift is toegelicht dat nabijgelegen parkeerplaatsen op meer dan 11 meter afstand zijn gerealiseerd. De warmtestralingsbelasting is daar dus nog lager. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, is bij de risicobeoordeling uitgegaan van een
worst casewindrichting, namelijk richting de dichtstbijzijnde woningen (appartementen) op 11 meter afstand van het tankstation. Omdat, naar ter zitting is toegelicht, in die situatie geen brandoverslag zal ontstaan naar de appartementen, is brandoverslag naar de door [eiser] genoemde woningen ten oosten van het tankstation evenmin mogelijk. Verweerder heeft ter zitting tevens toegelicht dat de warmtestralingsbelasting op de luifel weliswaar niet bij de risicobeoordeling is betrokken, maar dat – mede gelet op de korte duur van een plasbrand – niet aannemelijk is dat brandoverslag zal ontstaan naar de luifel. Deze luifel bevindt zich namelijk op 4,36 meter hoogte en heeft ook een zekere mate van brandwerendheid. [eiser] heeft de onjuistheid hiervan niet aannemelijk gemaakt. Voorts hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat aanleiding bestaat om rekening te houden met het door hen geschetste scenario dat vandalen moedwillig grote plasbranden of explosies zullen veroorzaken gedurende de uren dat het tankstation niet is bemand. Verweerder hoefde een dergelijke kans dan ook niet bij de risicobeoordeling te betrekken.
Concluderend heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat – met de vergunningvoorschriften over veiligheid en de overige voorzieningen – de veiligheid in de omgeving van het tankstation afdoende is gewaarborgd.