ECLI:NL:RBDHA:2017:8527
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens onjuiste informatie en valse documenten
Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende persoon, had een visumaanvraag voor kort verblijf ingediend die door verweerder geweigerd werd op grond van het overleggen van valse documenten, waaronder een vervalste doktersverklaring. Deze verklaring stelde een familierelatie tussen eiser en een referent vast die niet strookte met de werkelijkheid. Daarnaast was de huisarts die de verklaring had afgegeven niet meer werkzaam en betrof het een patiëntrelatie die niet bestond.
Eiser voerde in beroep aan dat de onjuiste informatie door een derde was verstrekt, namelijk de dochter van de referent, en dat hij zich niet bewust was van enige fout. De rechtbank oordeelde dat eiser de bewijslast droeg om aan te tonen dat hij aan de visumvoorwaarden voldeed en dat hij niet slaagde in het aantonen dat de onjuiste informatie niet van zijn kant kwam.
De rechtbank stelde vast dat de weigering van het visum terecht was op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er ernstige twijfel bestond over de terugkeerintentie van eiser. Tevens werd bevestigd dat de onjuiste informatie buiten een andere garantsteller om was verstrekt, waardoor geen gevolgen voor haar te verwachten zijn.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.