ECLI:NL:RBDHA:2017:8492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2017
Publicatiedatum
28 juli 2017
Zaaknummer
NL 17.3898
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) 604/2013Artikel 18, eerste lid, onder b, DublinverordeningArtikel 17 DublinverordeningArtikel 3 EVRMArtikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiser deed op 8 mei 2017 een asielaanvraag in Nederland. Uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser eerder in Duitsland op 22 oktober 2013 en 15 juli 2015 een verzoek om internationale bescherming had ingediend. De Nederlandse staatssecretaris van Veiligheid en Justitie besloot op 26 mei 2017 de aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat de Duitse autoriteiten hem niet goed hadden behandeld, onderbouwd met foto's. De rechtbank oordeelde echter dat deze stelling onvoldoende was om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken. De Duitse autoriteiten hadden ingestemd met de terugname van eiser op basis van artikel 18 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank concludeerde dat geen sprake was van een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU. Ook was er geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die de overdracht onevenredig hard zouden maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.3898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. J. de Jong),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 8 mei 2017 een asielaanvraag gedaan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 22 oktober 2013 en op 15 juli 2015 in Duitsland een verzoek heeft ingediend om internationale bescherming. Verweerder heeft de autoriteiten van Duitsland op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) op 9 juni 2017 verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 15 juni 2017 hiermee ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
Eiser heeft met het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. De stelling van eiser, onderbouwd met foto’s, dat de Duitse autoriteiten hem niet goed hebben behandeld is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
Verweerder heeft zich -met het in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Duistland een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening nu eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.
3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

Rechtsmiddel