Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
V-nummer: [nummer]
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 11 december 2015 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat zijn oudere broer werkzaam was voor de presidentiële garde en dat zijn vader twee dreigbrieven van de Taliban ontving, waarin werd geëist dat de broer moest stoppen met zijn werkzaamheden en eiser moest deelnemen aan gevechten of een zelfmoordaanslag moest plegen.
Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het relaas, ondanks dat eisers identiteit en nationaliteit werden erkend. De rechtbank constateerde tegenstrijdigheden in de verklaringen over de ontvangstdata van de dreigbrieven en de chronologie van het vertrek uit Afghanistan. Zo kwamen de data van de brieven niet overeen met eisers verklaringen, en was onduidelijk waarom alleen eiser het land verliet terwijl het hele gezin gevaar liep.
Eiser voerde aan dat hij bewijs had geleverd van zijn familiebanden en verwees naar ambtsberichten en veiligheidsrapporten die zijn verhaal ondersteunden. Desondanks kon hij de inconsistenties niet verklaren, ook niet tijdens de zitting. De rechtbank oordeelde dat deze tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielverzoek ondermijnden en wees het beroep af.
De uitspraak werd gedaan door rechter P.M. van Dijk-de Keuning op 7 juli 2017. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de Afghaanse asielzoeker wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardig relaas over dreigbrieven van de Taliban.