ECLI:NL:RBDHA:2017:7938

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2017
Publicatiedatum
17 juli 2017
Zaaknummer
NL17.3382
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 onder d DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende op 8 mei 2017 een asielaanvraag in. Uit het Eurodac-systeem bleek dat hij op 25 januari 2016 reeds in Duitsland internationale bescherming had aangevraagd. Verweerder, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, besloot daarom de aanvraag niet in behandeling te nemen en vroeg Duitsland om terugname op grond van artikel 18 van Pro de Dublinverordening. Duitsland stemde hiermee in.

De rechtbank oordeelde dat Duitsland terecht verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, aangezien de eerste aanvraag daar was ingediend. Het beroep van eiser dat terugkeer naar Duitsland niet mogelijk zou zijn vanwege een eerdere afwijzing en mogelijke terugzending naar Marokko, faalde omdat Duitsland het terugnameverzoek had geaccepteerd en de asielprocedure conform Europese richtlijnen zal uitvoeren.

Daarnaast vond de rechtbank de aangevoerde humanitaire omstandigheden niet zodanig bijzonder dat toepassing van de humanitaire clausule van artikel 17 van Pro de Dublinverordening gerechtvaardigd was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.3382
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

gemachtigde: mr. S. Zwiers,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

gemachtigde: mr. L. Verheijen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL17.3382) en de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen om overdracht hangende het beroep te voorkomen (NL17.3383).
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3383, plaatsgevonden op 6 juli 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting direct mondeling uitspraak. De rechtbank oordeelt als volgt.
2. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 8 mei 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder, op 25 januari 2016, in Duitsland heeft verzocht om internationale bescherming. Gelet hierop heeft verweerder de Duitse autoriteiten gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben hier op 18 mei 2017 mee ingestemd.
3. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Uit Eurodac blijkt immers dat eiser eerst in Duitsland asiel heeft aangevraagd.
4. De beroepsgrond dat eiser niet terug kan naar Duitsland omdat zijn eerdere aanvraag in Duitsland is afgewezen en eiser door de Duitse autoriteiten zal worden teruggestuurd naar Marokko slaagt niet. Nu Duitsland het terugnameverzoek heeft geaccepteerd moet worden aangenomen dat Duitsland de asielaanvraag van eiser zal behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen.
5. Tot slot heeft verweerder de door eiser aangevoerde humanitaire feiten en omstandigheden niet zodanig bijzonder hoeven achten dat toepassing van de humanitaire clausule van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aangewezen was.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.