ECLI:NL:RBDHA:2017:779

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2017
Publicatiedatum
31 januari 2017
Zaaknummer
AWB 17/1916, AWB 17/1921
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.1, tweede lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitse autoriteiten bij opvolgende asielaanvragen

Verzoekers, een gezin met minderjarige kinderen, deden opvolgende asielaanvragen nadat hun eerste aanvragen definitief niet in behandeling waren genomen omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling. Zij verzochten een voorlopige voorziening om overdracht aan Duitsland te voorkomen, stellende dat zij in Duitsland in erbarmelijke omstandigheden hadden geleefd en dat hun dochter medische zorg nodig had.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees het verzoek af, stellende dat de eerdere asielaanvragen niet-ontvankelijk waren verklaard en dat er geen nieuwe relevante elementen waren die de overdracht konden verhinderen. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de medische situatie van de dochter reeds bekend was en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt dat niet ambtshalve aan artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 wordt getoetst.

De voorzieningenrechter concludeerde dat de overdracht aan Duitsland terecht kan plaatsvinden en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen overdracht aan Duitsland worden afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe relevante elementen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 17/1916 en AWB 17/1921
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2017 op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zaken tussen
1.
[verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [nummer], en
2.
[verzoekster], verzoekster, mede namens hun minderjarige kinderen
[kind],
[kind]en
[kind],
V-nummers: [nummers],
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,
gemachtigde: mr. J.G.H. van der Kolk,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. F.W.A. Croonen.

Procesverloop

Bij brief van 25 januari 2017 heeft verweerder aangekondigd dat verzoekers op 30 januari 2017 om 10:20 uur zullen worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland.
Verzoekers hebben op 26 januari 2016 tegen dit feitelijk handelen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken dat overdracht verboden wordt hangende de bezwaren.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
2. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij niet aan Duitsland kunnen worden overgedragen omdat zij daar eerder in erbarmelijke omstandigheden hebben moeten leven. Verder zijn voor hun aan epilepsie lijdende dochter [kind] binnenkort twee afspraken bij het Antonius-ziekenhuis te Sneek gepland. Ter staving daarvan hebben zij twee afspraakbevestigingen overgelegd. Verder hebben verzoekers opvolgende asielaanvragen ingediend.
3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Verweerder heeft erop gewezen dat de eerste asielaanvragen van verzoekers bij twee afzonderlijke besluiten van 13 december 2016 niet in behandeling zijn genomen omdat de autoriteiten van Duitsland verantwoordelijk zijn voor de behandeling ervan. Verweerder heeft er verder op gewezen dat de beroepen die verzoekers daartegen hebben ingediend bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 11 januari 2017 (zaaknummers AWB 16/29330 en AWB 16/29334) niet-ontvankelijk zijn verklaard. Verzoekers hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Verweerder heeft in reactie op voornoemde opvolgende asielaanvragen besloten dat overdracht niet achterwege blijft als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb heeft het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet tot gevolg dat uitzetting achterwege blijft als sprake is van een opvolgende aanvraag nadat een eerdere aanvraag definitief niet in behandeling is genomen en geen nieuwe elementen en bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de eerste asielaanvragen van verzoekers definitief niet in behandeling zijn genomen. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van relevante nieuwe elementen en bevindingen. Uit de door verzoekers overgelegde afspraakbevestigingen blijkt slechts dat hun dochter onder medische behandeling staat. Dit was ten tijde van de eerste asielaanvragen van verzoekers al bekend en ook door verweerder kenbaar in de besluitvorming betrokken. Eveneens is ingegaan op de stelling van verzoekers dat zij in Duitsland in erbarmelijke omstandigheden zouden hebben geleefd.
6. Voor zover verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder dat terecht niet heeft gedaan gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
7. Gelet op het voorgaande worden de verzoeken afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.