ECLI:NL:RBDHA:2017:7716
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, een Myanmarese staatsburger, diende op 13 april 2017 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie weigerde de aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat volgens de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure.
Eiser betwistte deze verantwoordelijkheid en voerde aan dat het EU-VIS onderzoek onvoldoende bewijs leverde voor een geldig visum, mede omdat een visumsticker ontbrak. Hij stelde dat de Duitse autoriteiten hierover niet geïnformeerd waren.
De rechtbank oordeelde dat uit het EU-VIS onderzoek bleek dat eiser op 8 maart 2017 een geldig Schengenvisum had ontvangen, geldig van 12 tot 19 april 2017. Het ontbreken van de visumsticker werd verklaard door het feit dat eiser de betreffende pagina uit zijn paspoort had verwijderd. Dit deed niet af aan de geldigheid van het visum. Daarnaast had eiser zelf verklaard dat hij een visum had aangevraagd en ontvangen van de Duitse autoriteiten.
Op basis hiervan concludeerde de rechtbank dat Nederland terecht Duitsland als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is.