ECLI:NL:RBDHA:2017:7672
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek toepassing schuldsaneringsregeling wegens onbevoegdheid minnelijk traject
Verzoeker diende een verzoekschrift in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en een dwangakkoord op grond van de Faillissementswet. De rechtbank beoordeelde of de 285-verklaring, vereist voor het verzoek, was afgegeven door een bevoegd persoon en of het minnelijk traject door een bevoegde instantie was uitgevoerd.
De 285-verklaring was afgegeven door een beschermingsbewindvoerder met een hoedanigheid als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onder c, van de Wet op het consumentenkrediet (WCK), waardoor de bevoegdheid tot afgifte niet ter discussie stond. Echter, het minnelijk traject was uitgevoerd door een schuldhulpverleningsinstantie, Schuldbemiddeling Nederland, die volgens de wet niet bevoegd is om een minnelijk traject zelfstandig uit te voeren.
De rechtbank benadrukte dat alleen gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of personen met specifieke wettelijke hoedanigheden het minnelijk traject mogen uitvoeren. Omdat niet was gebleken dat het minnelijk traject door een daartoe bevoegde persoon was uitgevoerd, werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding om een aanvullende termijn te gunnen voor herstel van de tekortkoming.
De uitspraak onderstreept het belang van goede schuldhulpverlening en de noodzaak dat minnelijk trajecten door bevoegde en gekwalificeerde personen worden uitgevoerd om schuldenaren te beschermen en verwarring te voorkomen.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onbevoegdheid van de schuldbemiddelingsinstantie bij het minnelijk traject.