Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
V-nummer: [nummer]
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Turkse vrouw van Koerdische afkomst, vroeg asiel aan in Nederland uit vrees voor vervolging vanwege de politieke activiteiten van haar echtgenoot en neef voor de Koerdische partij HDP. Zij baseerde haar aanvraag op het risico van ondervraging en discriminatie bij terugkeer naar Turkije, mede vanwege de verslechterde situatie na de couppoging in 2016.
De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat het niet aannemelijk was dat eiseres een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het enkele vermoeden onvoldoende is om een verhoogd risico aan te nemen. Ook de overgelegde stukken, waaronder rapporten van Human Rights Watch en een ministeriële verklaring, konden dit niet onderbouwen.
Daarnaast stelde eiseres dat haar zienswijze en bijlagen niet waren beoordeeld, maar de rechtbank vond dat dit geen gevolgen had voor de uitkomst. Het beroep op een uitzonderlijke situatie volgens de Definitierichtlijn werd verworpen wegens gebrek aan bewijs. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd eveneens afgewezen omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakt risico op schending van artikel 3 EVRM.