ECLI:NL:RBDHA:2017:7537

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2017
Publicatiedatum
10 juli 2017
Zaaknummer
AWB 17/11377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwArt. 98 VwArt. 99 VwArt. 100 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens kamperen aan openbare weg

Eiser, een vreemdeling van Nieuwzeelandse nationaliteit, werd op 31 mei 2017 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 12 juni 2017 gaf eiser aan zichzelf te willen vertegenwoordigen en geen gebruik te maken van zijn toegevoegde advocaat. De rechtbank oordeelde dat eiser niet verplicht is zich te laten bijstaan door een raadsman en ging inhoudelijk in op zijn aangevoerde gronden.

Eiser voerde aan dat hij ten onrechte was staandegehouden tijdens werkzaamheden in zijn werkplaats, die onder maritiem recht valt, en dat de politie geen jurisdictie had. Tevens stelde hij dat de politie hem niet de 'European Guidelines' had verstrekt, wat in strijd zou zijn met zijn mensenrechten. Verweerder stelde dat de aanhouding strafrechtelijk was wegens kamperen aan de openbare weg en dat de vreemdelingenrechter de rechtmatigheid van de aanhouding niet mag toetsen.

De rechtbank concludeerde dat de aanhouding strafrechtelijk was en dat de vreemdelingenrechter deze niet mag beoordelen. Er was geen grond om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de bewaring. De stellingen over de 'European Guidelines' waren onvoldoende onderbouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/11377
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Nieuwzeelandse nationaliteit, verblijvende in Detentiecentrum Rotterdam,
eiser,
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti, advocaat te Amsterdam),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,
(gemachtigde: mr. T. Nauta, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 31 mei 2017 is aan eiser de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op 4 juni 2017 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2017. Eiser is verschenen, (deels) bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ter zitting heeft eiser aangegeven zichzelf te willen vertegenwoordigen tijdens het onderzoek ter zitting. Eiser wenst geen gebruik te maken van de diensten van de aan hem toegevoegde advocaat mr. El Assrouti, die het beroepschrift namens eiser heeft ingediend en die ter zitting als gemachtigde van eiser is verschenen. Om deze reden heeft mr. El Assrouti zich ter zitting aan de zaak van eiser onttrokken. Mr. El Assrouti heeft de verdere behandeling van de zaak bijgewoond, zij het niet als gemachtigde van eiser.
Ambtshalve ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eiser zichzelf mag vertegenwoordigen tijdens een beroep tegen een vreemdelingenrechtelijke maatregel van bewaring. Artikel 98 Vw Pro bepaalt dat de vreemdeling zich bij onder meer het gehoor ingevolge artikel 94 Vw Pro uitsluitend kan doen bijstaan door één of meer van zijn raadslieden en bepaalt welke vereisten aan deze raadslieden worden gesteld. Artikel 99 Vw Pro ziet op de keuzevrijheid van eiser met betrekking tot de raadsman die hem vertegenwoordigt. In artikel 100, eerste lid, Vw is te lezen dat ‘op verzoek van de vreemdeling’ aan hem een raadsman wordt toegevoegd, zodra hem ingevolge de Vw zijn vrijheid is ontnomen.
Uit voornoemde artikelen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser verplicht is zich te doen bijstaan door een raadsman. Nu eiser zowel tijdens het gehoor van 31 mei 2017 voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring, als tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij zijn eigen verdediging wenst te voeren bij de vreemdelingenrechter en daarnaast ter zitting heeft aangegeven dat mr. El Assrouti niet namens hem optreedt, zal de rechtbank dan ook inhoudelijk ingaan op de gronden die door eiser in persoon zijn aangevoerd.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, zesde lid, Vw het beroep gegrond.
Eiser voert aan dat hij ten onrechte is staandegehouden. Eiser was ten tijde van zijn aanhouding bezig werkzaamheden te verrichten in zijn werktent dan wel buggy. Eiser is kapitein en werkt aan een boot. De plek waar hij is aangehouden betreft zijn werkplaats en valt onder maritiem gebied en, dus, maritiem recht. De politie heeft daar geen jurisdictie. Voorts is thans een gevaarlijke situatie op voornoemde werkplaats ontstaan, nu eiser daar niet meer is om de plek te bewaken, terwijl daar gasleidingen lopen en elektriciteit is aangesloten. Eiser kon daarnaast ter plaatse de mensen beschermen tegen vallen.
Ten slotte had de politie eiser de ‘European Guidelines’ ter hand moeten stellen op het politiebureau. Eiser heeft hier herhaaldelijk om gevraagd, maar de politie heeft steeds geweigerd hem hierin ter wille te zijn. Ook dit is in strijd met maritiem recht en eisers mensenrechten, aldus eiser. Eiser heeft familie in Spanje en Ierland, zodat hij op grond van deze richtlijnen kan aantonen dat de politie hem niet had mogen aanhouden. Daarnaast kan hij met deze richtlijnen aantonen dat hij niet in bewaring gesteld had mogen worden.
3.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser strafrechtelijk is aangehouden voor kamperen aan de openbare weg. Nu de aanhouding strafrechtelijk en niet vreemdelingenrechtelijk is gebeurd, ligt de rechtmatigheid van de aanhouding thans niet ter beoordeling voor.
3.2
De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van aanhouding duidelijk en op voldoende inzichtelijke wijze blijkt dat eiser in het kader van het strafrecht is gevraagd een legitimatiebewijs te tonen en vervolgens strafrechtelijk is aangehouden wegens overtreding van artikel 2.20 van de algemene plaatselijke verordening van Amsterdam. De Verbalisant heeft eiser aangesproken naar aanleiding van een melding dat eiser al drie weken in een tent aan de openbare weg zou verblijven. In dat kader is eiser ook gevraagd een legitimatiebewijs te tonen en is hij vervolgens nagetrokken in de politiesystemen. Daaruit bleek dat eiser in 2016 al drie keer eerder is gecontroleerd en mogelijk geverbaliseerd voor het slapen op of aan de openbare weg, waarvan een keer onder hetzelfde zeil als waar de verbalisant hem ook ditmaal aantrof. Of de verbalisant op de juiste wijze gebruik heeft gemaakt van de hem toegekende strafrechtelijke bevoegdheden staat niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter. Die beoordeling is aan de strafrechter. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser niet op juiste wijze in handen van verweerder is gekomen, zodat de daaropvolgende bewaring niet onrechtmatig is.
Met betrekking tot hetgeen eiser aanvoert over het ter beschikking stellen van de ‘European Guidelines’, overweegt de rechtbank dat eiser ter zitting, desgevraagd, niet heeft kunnen verduidelijken welke ‘guidelines’ hij bedoelt en wat hieruit zou volgen. Eisers stellingen nopen dan ook niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
De beroepsgrond slaagt niet.
4. Het beroep is ongegrond.
5. De rechtbank zal het verzoek om het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de maatregel van bewaring niet zal bevelen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C. Otten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:

Rechtsmiddel