ECLI:NL:RBDHA:2017:7216

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2017
Publicatiedatum
3 juli 2017
Zaaknummer
AWB 16/21087
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbArt. 8:74 AwbArt. 29 VwArt. 16 Richtlijn 2003/86/EGArt. 4 lid 1 Richtlijn 2003/86/EG
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens gebrekkige motivering huwelijk en gezinsband

Eiseres, van Eritrese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel van nareis. De minister wees deze aanvraag bij besluit van 18 januari 2016 af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd of het huwelijk tussen eiseres en haar echtgenoot rechtsgeldig was, terwijl dit relevant is voor de toepassing van artikel 29 Vreemdelingenwet Pro.

Daarnaast stelde eiseres dat het beleid van de minister om een feitelijke gezinsband te toetsen aan criteria zoals duurzame en exclusieve relatie en samenwoning in strijd is met de Europese Richtlijn 2003/86/EG. De rechtbank vond dat de minister dit onvoldoende had gemotiveerd en dat het bestreden besluit daarom een motiveringsgebrek vertoonde.

Na een tussenuitspraak waarbij de minister de gelegenheid kreeg het gebrek te herstellen, liet de minister deze termijn ongebruikt verstrijken. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en droeg op tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/21087
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 mei 2017 in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit,
eiseres,
(gemachtigde: mr. drs. M.L. van Riel, advocaat te Alkmaar),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
(gemachtigde: mr. S.M.G. Bouma, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis” afgewezen.
Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 29 december 2016 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is met bericht niet verschenen ter zitting.
Op 14 februari 2017 heeft de rechtbank tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om de gebreken in het besluit op bezwaar te herstellen. Bij brief van 21 februari 2017 heeft verweerder medegedeeld dat hij van deze gelegenheid gebruik wil maken. Verweerder heeft evenwel niet binnen de gestelde termijn de gebreken hersteld.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 14 februari 2017, waarin een oordeel is gegeven over het bestreden besluit en waarbij een gebrek is vastgesteld. Verweerder is daarop in de gelegenheid gesteld het gebrek binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen.
2. De rechtbank stelt vast dat de termijn om het gebrek te herstellen, als bedoeld in artikel 8:51a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ongebruikt is verstreken. Nu verweerder evenmin binnen de door de rechtbank geboden termijn schriftelijk en gemotiveerd heeft verzocht om verlenging van deze termijn, moet worden vastgesteld dat verweerder het gebrek niet heeft hersteld. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen op grond van de overwegingen zoals vermeld in de tussenuitspraak.
3. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, nu niet vast staat dat verweerder het geconstateerde gebrek in een nieuw te nemen besluit niet alsnog kan herstellen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak van 14 februari 2017.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-, wegingsfactor 1).
5. Het verzoek van eiseres van 24 april 2017 om verweerder te veroordelen in de kosten van de deskundigenrapporten conform artikel 1, aanhef en onder b, juncto artikel 2, eerste lid onder b, Bpb, wordt door de rechtbank niet bij de beoordeling van het beroep betrokken. Het onderzoek dat aan het einde van de zitting van 4 januari 2017 is gesloten, is enkel heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Het alsnog bij de beoordeling betrekken van het verzoek van eiseres zou in strijd zijn met de bij de tussenuitspraak vastgestelde procesorde waarbij eiseres enkel in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen in het geval verweerder zou pogen het gebrek te herstellen.
6. Verweerder zal op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, Awb, ook het betaalde griffierecht van € 168,- moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak van 14 februari 2017 en in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-;
- draagt verweerder op aan eiseres het betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2017.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.