ECLI:NL:RBDHA:2017:7015
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging en eerwraak
Eiser heeft op 25 september 2015 een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De afwijzing is gebaseerd op het oordeel dat de door eiser gestelde feiten weliswaar geloofwaardig zijn, maar dat de daaraan ontleende vrees voor vervolging, eerwraak of onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Egypte onvoldoende aannemelijk is.
De rechtbank overweegt dat de familiaire problemen die eiser ondervindt geen grond vormen voor asiel, aangezien deze niet onder het Vluchtelingenverdrag vallen. Ook is niet gebleken dat eiser als bekeerde christen wordt beschouwd, ondanks een korte periode waarin een foto met een kruis op Facebook stond en het bezit van tatoeages. Daarnaast is het risico op onmenselijke behandeling wegens desertie onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht het beroep ongegrond heeft verklaard en dat eiser geen verblijfsvergunning kan krijgen op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging of eerwraak.