Uitspraak
REchtbank DEN Haag
[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2],
Rechtbank Den Haag
De burgemeester van een gemeente heeft het bedrijfspand aan een adres te [plaats] gesloten voor achttien maanden wegens de aanwezigheid van een handelshoeveelheid henneptoppen. Op 4 oktober 2016 werd een persoon met een grote roze tas met daarin één kilogram henneptoppen uit het pand gezien en aangehouden. Tijdens een politieonderzoek werden diverse hennepgerelateerde goederen in het pand en in zeecontainers aangetroffen.
Verzoekers, mede-eigenaren en huurder van het pand, maakten bezwaar tegen het besluit en vroegen om een voorlopige voorziening. Zij voerden onder meer aan dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, dat de verdachte niet in het pand was geweest, en dat de sluitingstermijn van achttien maanden disproportioneel was. Ook werd gesteld dat de huurder niet als belanghebbende was betrokken en dat het besluit niet naar het juiste adres was verzonden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was het pand te sluiten vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennep. De verklaringen van de verbalisant en de bestuurlijke rapportage werden als voldoende bewijs aanvaard. De stellingen van verzoekers werden niet gevolgd, onder meer omdat de huurder tijdig bezwaar had gemaakt en de sluitingstermijn in de bezwaarprocedure kan worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van de burgemeester om het besluit onmiddellijk te effectueren zwaarder woog dan het belang van verzoekers om het besluit te schorsen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van het bedrijfspand wegens hennephandel wordt afgewezen.