ECLI:NL:RBDHA:2017:6921
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen inbewaringstelling en uitzettingsprocedure naar Algerije
Eiser is op 6 mei 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft op 22 juni 2017 uitspraak gedaan na een zitting waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat er voldoende zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat de Algerijnse autoriteiten op 26 mei 2017 een laissez-passer aanvraag voor eiser hebben ontvangen. Verweerder heeft toegelicht dat in 2016 en begin 2017 meerdere lp-aanvragen zijn ingediend en lp’s zijn afgegeven, en dat er gedwongen uitzettingen hebben plaatsgevonden. De stelling van eiser dat uitzetting enkel plaatsvindt naar vreemdelingen met een identiteitsdocument is niet onderbouwd en wordt verworpen.
Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend handelt, onder meer omdat op 10 mei 2017 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en de lp-aanvraag op 16 mei 2017 is ontvangen door de Algerijnse autoriteiten. Het ontbreken van verdere informatie over handelingen van verweerder leidt niet tot het oordeel dat hij onvoldoende voortvarend is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling en uitzetting wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.