ECLI:NL:RBDHA:2017:6726

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2017
Publicatiedatum
20 juni 2017
Zaaknummer
AWB 16_9311
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 1 Bpb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten bezwaar bij professionele rechtsbijstand ondanks familierelatie

Eiser diende een aanvraag in voor vervanging van een driewielfiets, welke door verweerder niet in behandeling werd genomen. Na bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar gegrond en bracht eiser alsnog in aanmerking voor een nieuwe aangepaste driewielfiets. Eiser stelde beroep in tegen de weigering van verweerder om de proceskosten van de bezwaarprocedure te vergoeden.

De rechtbank beoordeelde uitsluitend de vraag of de kosten van de bezwaarprocedure terecht niet werden vergoed. Verweerder stelde dat geen sprake was van professionele rechtsbijstand omdat de gemachtigde de vader van eiser was en niet langer als advocaat stond ingeschreven. De rechtbank stelde vast dat de vader van eiser ten tijde van de bezwaarprocedure nog als advocaat was ingeschreven en dat de familierelatie op zichzelf niet uitsluit dat de rechtsbijstand beroepsmatig is verleend.

De rechtbank concludeerde dat eiser niet tot het huishouden van zijn vader behoort, waardoor de rechtsbijstand als beroepsmatig kon worden aangemerkt. Gezien het herroepen van het primaire besluit en het alsnog toekennen van de driewielfiets aan eiser, oordeelde de rechtbank dat het beroep gegrond is en vernietigde het bestreden besluit voor zover het de vergoeding van proceskosten betrof. De vergoeding werd vastgesteld op €1.485,-. Het verzoek om reiskostenvergoeding werd afgewezen omdat dit niet tijdig was ingediend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit dat de proceskosten van de bezwaarprocedure niet vergoedde en veroordeelt verweerder tot vergoeding van €1.485,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 16/9311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats 1] , eiser

(gemachtigde: [persoon] te [woonplaats 2] )
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringenverweerder
(gemachtigde: M.L. Steeksma-Valente).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor vervanging van de in 2004 verstrekte driewielfiets niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 11 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en eiser alsnog in aanmerking gebracht voor een nieuwe (aangepaste) driewielfiets.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep betreft uitsluitend de weigering van verweerder om de kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden.
Verweerder heeft de gedingstukken toegezonden.
Op grond van de van beide partijen verkregen toestemming heeft de rechtbank behandeling van het beroep ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In dit geding dient (uitsluitend) te worden beoordeeld of verweerder op juiste gronden heeft geweigerd om de kosten te vergoeden die eiser in verband met de bezwaarprocedure stelt te hebben gemaakt. Verweerder heeft zijn besluit doen steunen op de overweging dat geen sprake is van professionele rechtsbijstand omdat de vader van eiser niet langer als advocaat staat ingeschreven. Bovendien is sprake van een vader/zoon-relatie, aldus verweerder.
2. Hetgeen namens eiser in beroep wordt aangevoerd komt hierop neer dat wel degelijk sprake is van professionele rechtsbijstand, ook al is eiser de zoon van de gemachtigde. Bovendien dient verweerder volgens eiser ook de reiskosten te vergoeden die in verband met het bijwonen van de hoorzitting op 11 augustus 2016 zijn gemaakt.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar is bijgestaan door zijn vader, [persoon] . Deze was ten tijde van de behandeling van het bezwaar en ook op de datum waarop beroep werd ingesteld nog ingeschreven als advocaat.
4. De in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb bedoelde kostenveroordeling kan uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat tussen eiser en zijn gemachtigde een nauwe familierelatie bestaat, staat er op zichzelf beschouwd niet aan in de weg dat deze gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 november 2012, ECLI:NL:2012:BY2474. De Afdeling heeft daarbij aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2012, in zaak nr. 11/04773 (ECLI:NL:HR:2012:BY0531). Dezelfde familierelatie staat ook niet aan het beroepsmatige karakter van verleende rechtsbijstand in de weg, met dien verstande dat als rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende in beginsel moet worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend. Op grond van de stukken gaat de rechtbank er van uit dat eiser niet tot het huishouden van zijn in [woonplaats 2] wonende vader behoort.
5. Gelet op het primaire besluit en het daartegen ingediende bezwaar ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat niet op zakelijke basis rechtsbijstand is verleend. Ook zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat geen sprake was van kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu verder vast staat dat verweerder naar aanleiding van het bezwaar het primaire besluit heeft herroepen en eiser alsnog in aanmerking heeft gebracht voor een nieuwe, aangepaste driewielfiets, komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit, voor zover daarbij geweigerd is om de kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden, voor vernietiging in aanmerking komt. Daarbij plaatst de rechtbank de kanttekening dat het verzoek om vergoeding van de reiskosten van de gemachtigde in verband met het bijwonen van de hoorzitting terecht niet door verweerder is ingewilligd, omdat dit verzoek niet is gedaan vóórdat verweerder het bestreden besluit nam. De rechtbank verwijst hiertoe naar artikel 7:15, derde lid, van de Awb.
6. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn met toepassing van de bepalingen van het Bpb vastgesteld op een bedrag van € 1.485,- waarbij is uitgegaan van 3 punten voor respectievelijk indiening van het bezwaarschrift, verschijnen bij de hoorzitting van verweerder en indiening van het beroepschrift bij de rechtbank (totaal 3 punten) in een zaak van gemiddeld gewicht met wegingsfactor 1.0.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover aangevochten;
  • veroordeelt verweerder in de door eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van €1.485,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.