ECLI:NL:RBDHA:2017:6566

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2017
Publicatiedatum
19 juni 2017
Zaaknummer
17/10010
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 17 Dublinverordeningartikel 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. De rechtbank bevestigt dat Italië verantwoordelijk is vanwege het verstrekte visum.

Eiseres voerde aan dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege haar medische problemen en familiebanden in Nederland. Uit het medische dossier blijkt dat zij hoofdpijn en hoge bloeddruk heeft, maar geen actuele behandeling voor hartklachten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden voor nader medisch onderzoek.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat overdracht aan Italië kennelijke hardheid oplevert. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ernstige aandoening die overdracht zou schenden op grond van het EU-Handvest. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering om de asielaanvraag te behandelen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/10010
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. W.N. van der Voet,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Raak.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nr. AWB 17/10012, plaatsgevonden op 1 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen N. Gorges, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.
2. Niet meer in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat Italië een visum aan eiseres heeft verstrekt.
3. Eiseres heeft betoogd dat verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. De rechtbank begrijpt uit de gronden en het verhandelde ter zitting dat eiseres van mening is dat verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen. Eiseres beroept zich hierbij op haar medische problemen en op het feit dat haar nichtje (tevens vriendin), met haar man en kind, in Nederland verblijft. Uit het patiëntendossier blijkt dat eiseres hoofdpijnklachten heeft en lijdt aan hoge bloeddruk. Dat eiseres nu nog wordt behandeld voor hartklachten blijkt niet uit de medische stukken. De rechtbank ziet in het patiëntendossier geen aanknopingspunten om de zaak aan te houden in afwachting van nadere medische rapportage. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de aangevoerde feiten en omstandigheid niet zodanig bijzonder zijn, dat overdracht aan Italië van kennelijke hardheid zou getuigen.
4. Verder oordeelt de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zodanig “ernstige mentale of lichamelijke aandoening”, als bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127), dat overdracht aan Italië zou leiden tot schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Evenhuis, griffier, op 1 juni 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.