ECLI:NL:RBDHA:2017:6515
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoekster diende op 11 april 2017 een verzoekschrift in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank behandelde het verzoek op 16 mei 2017, waarbij verzoekster ter zitting verscheen en werd gehoord.
De rechtbank toetst de goede trouw van verzoekster op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro, waarbij gekeken wordt naar het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Verzoekster overlegt een schuldenlijst met twaalf schulden, waaronder een schuld aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van €1.521,- uit 2014 en een schuld aan het UWV van €7.449,24 uit 2015.
Verzoekster stelt dat de boetes bij het CJIB door iemand anders zijn veroorzaakt, maar de auto stond op haar naam, waardoor de rechtbank oordeelt dat zij niet te goeder trouw was. Daarnaast erkent verzoekster dat zij het UWV niet tijdig of volledig heeft geïnformeerd over wijzigingen, wat tot de schuld leidde. De rechtbank concludeert dat ook ten aanzien van deze schuld geen goede trouw bestaat.
Gezien het ontbreken van goede trouw wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Verzoekster heeft acht dagen na de uitspraak de mogelijkheid tot hoger beroep, dat alleen door een advocaat kan worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.