ECLI:NL:RBDHA:2017:5772
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken om voorlopige voorzieningen in asielzaak na ongegrondverklaring beroepen
Verzoekers, bestaande uit een moeder en haar kinderen, hadden verzoeken ingediend om voorlopige voorzieningen te treffen tegen de beslissing van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Deze aanvragen betroffen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank heeft op 30 mei 2017 uitspraak gedaan over de verzoeken om voorlopige voorzieningen. Deze verzoeken werden behandeld nadat de beroepen in de bodemzaak, die betrekking hadden op dezelfde besluiten, ongegrond waren verklaard. Gezien deze uitspraak achtte de voorzieningenrechter het niet langer noodzakelijk om voorlopige voorzieningen toe te kennen.
Tijdens de zitting op 16 mei 2017 waren verzoekers en hun gemachtigden aanwezig, evenals de gemachtigde van de verweerder en een Arabischtolk. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen noodzaak was voor voorlopige voorzieningen en wees de verzoeken af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat daartoe geen aanleiding bestond.
De uitspraak werd in het openbaar gedaan en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen na ongegrondverklaring van de beroepen in de bodemzaak.