ECLI:NL:RBDHA:2017:5177
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eiser, een volwassen man met de Filipijnse nationaliteit, heeft sinds 2012 zonder geldige verblijfsvergunning in Nederland verbleven om voor zijn ernstig visueel gehandicapte moeder te zorgen. Hij vroeg een verblijfsvergunning aan op grond van familieleven zoals beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM, maar deze werd afgewezen omdat hij niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen hem en zijn moeder.
De rechtbank oordeelt dat het gewijzigde beleid van 2016 juist is toegepast, waarbij de mate van afhankelijkheid wordt beoordeeld aan de hand van het zelfstandig kunnen functioneren van de moeder. Hoewel er emotionele banden zijn, is niet gebleken dat de moeder niet zonder eiser kan functioneren, mede omdat zij zich meer dan 20 jaar zelfstandig heeft gehandhaafd en gebruik kan maken van zorginstanties.
Het beroep tegen het opgelegde inreisverbod van twee jaar wordt eveneens ongegrond verklaard, omdat eiser zich aan toezicht heeft onttrokken en de verkorte vertrektermijn terecht is vastgesteld. De rechtbank concludeert dat het familieleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro niet is aangetoond en dat het beroep daarom ongegrond is.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid als bedoeld in artikel 8 EVRM.