ECLI:NL:RBDHA:2017:4849

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 mei 2017
Publicatiedatum
9 mei 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8635
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMVerordening (EU) 604/2013Artikel 12 DublinverordeningArtikel 17 Dublinverordening
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres diende op 9 december 2016 een asielaanvraag in, die door verweerder op 20 april 2017 niet in behandeling werd genomen vanwege de Dublinverordening. Eiseres reisde naar Italië met een geldig Schengenvisum en verweerder vroeg Italië om haar over te nemen. Italië stemde hiermee in.

Eiseres voerde aan dat bijzondere omstandigheden toepassing behoefden en dat overdracht naar Italië zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro, maar de rechtbank vond dit niet aannemelijk. De rechtbank verwees naar recente jurisprudentie en rapportages waaruit bleek dat Italië adequaat opvang biedt, ook voor gezinnen met minderjarige kinderen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen gebruik maakte van zijn bevoegdheid om de aanvraag in Nederland te behandelen, omdat de door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd. Medische stukken en vrees voor familie in Italië boden geen aanleiding tot een ander oordeel.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/8635

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

Mede namens haar minderjarig kind [persoon]
(gemachtigde: mr. H. Yousef),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. F. Gieskes).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres van 9 december 2016 niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 9 december 2016 een asielaanvraag ingediend. Uit EU-Vis is gebleken dat eisers door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië te Tunis, Tunesië in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, geldig van 24 november 2016 tot 23 december 2016. Niet in geschil is dat eiseres met gebruikmaking van dit visum naar Italië is gereisd. Verweerder heeft de autoriteiten van Italië op grond van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening) op 30 januari 2017 verzocht om eiseres op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening over te nemen. De autoriteiten van Italië hebben hiermee ingestemd op 29 maart 2017.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
2.1.
Niet in geschil is dat eiseres naar Italië is gereisd met gebruikmaking van het afgegeven Schengenvisum. Eiseres heeft betoogt dat verweerder haar asielverzoek ingevolge artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen op grond van bijzondere omstandigheden.
2.2.
De rechtbank overweegt dat eiseres niet gevolgd kan worden in haar betoog dat zij bij overdacht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en ook uit de rapportages waar eiseres bij zienswijze naar heeft verwezen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat overdracht onder de Dublinverordening zonder meer leidt tot een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie.
2.3.
In de uitspraak van 7 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:971) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) overweegt de Afdeling dat ook uit het meest recente rapport van de Danish Refugee Council niet kan worden geconcludeerd dat in Italië een structureel gebrek aan adequate opvang van gezinnen met minderjarige kinderen bestaat. Verweerder heeft zich dan ook afdoende vergewist dat opvang zal worden geboden conform de eisen die voortvloeien uit het arrest Tarakhel.
Eiseres heeft in haar zaak geen informatie overgelegd die er toe leidt dat de rechtbank tot een ander oordeel komt. De door haar gemachtigde overgelegde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, is hiertoe onvoldoende nu verweerder ter zitting hetgeen in die uitspraak is overwogen met betrekking tot de toezegging van vooraf verkrijgen van voldoende garanties, niet heeft bevestigd. Uit de jurisprudentie van de Afdeling van latere datum blijkt ook niet dat de Afdeling deze garanties noodzakelijk acht.
De beroepsgrond slaagt niet.
2.4.
Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het asielverzoek van eiseres hier te lande te behandelen vanwege individuele bijzondere omstandigheden. De door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht. De stelling dat zij te vrezen heeft voor haar familie en landgenoten die in Italië verblijven is onvoldoende nu verweerder terecht heeft overwogen dat zij bij voorkomende problemen in Italië zich kan wenden tot de autoriteiten aldaar. Eiseres heeft niet voldoende onderbouwd dat zij deze bescherming niet zou kunnen inroepen. Ook de in de beroepsfase overgelegde medische stukken kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Verweerder heeft niet ten onrechte ter zitting gesteld dat uit deze stukken niet een zodanige problematiek naar voren komt dat door de overdracht eiseres en haar minderjarige kind in een situatie zouden geraken die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM.
3. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de aanvraag terecht niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
4. Het beroep is ongegrond
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van M. Tijsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)