De vader verzocht om herstel van zijn gezag over zijn minderjarige kind en om een omgangsregeling waarbij het kind eens per veertien dagen en de helft van de schoolvakanties bij hem zou verblijven. Hij stelde dat de omstandigheden waren gewijzigd en dat hij een stabielere opvoedingssituatie kon bieden dan het pleeggezin, mede gezien het vermeende seksueel misbruik in het pleeggezin. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming voerden verweer en benadrukten het belang van continuïteit en stabiliteit in het pleeggezin.
De rechtbank oordeelde dat het niet in het belang van het kind is het gezag van de vader te herstellen, mede vanwege de kwetsbaarheid van het kind, haar belaste voorgeschiedenis en de langdurige verblijfplaats in het pleeggezin. Het perspectief van het kind ligt in het pleeggezin, waar zij zich goed heeft ontwikkeld en een stabiele toekomst heeft. De vermoedens van seksueel misbruik zijn onderzocht en de veiligheid van het kind in het pleeggezin is gewaarborgd.
Ten aanzien van de omgangsregeling overwoog de rechtbank dat het recht op omgang weliswaar bestaat, maar dat de door de vader verzochte uitbreiding niet in het belang van het kind is. De omgang wordt momenteel geregeld en de gecertificeerde instelling moet blijven monitoren wat het beste is voor het kind. De verzoeken tot benoeming van een bijzondere curator, onderzoek door de Raad en herstel van het gezag en omgangsregeling werden afgewezen.