ECLI:NL:RBDHA:2017:4052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2017
Publicatiedatum
20 april 2017
Zaaknummer
09/767223-15, 09/837305-15
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing rechtbank over anonimiteit en inzage processtukken in zaak Mitch Henriquez

De rechtbank Den Haag heeft op 20 april 2017 een beslissing genomen in de strafzaak tegen twee agenten die betrokken waren bij de aanhouding van Mitch Henriquez, waarbij Henriquez overleed. De rechtbank handhaaft het anoniem houden van de namen van de verdachten, omdat deze namen niet in de processtukken voorkomen en het anoniem optreden noodzakelijk wordt geacht vanwege de veiligheid van de verdachten.

Tijdens de regiezitting van 6 april 2017 zijn vragen geformuleerd die aan deskundigen, waaronder een patholoog en een forensisch arts, gesteld zullen worden over de doodsoorzaak van Henriquez. De rechtbank wijst verzoeken tot het stellen van aanvullende vragen af wanneer deze niet relevant zijn voor het onderwerp van de deskundigenrapporten.

Verder heeft de rechtbank verzoeken van de raadslieden van de nabestaanden tot inzage en afgifte van bepaalde stukken, waaronder correspondentie en documenten die de identiteit van de verdachten bevestigen, afgewezen. Deze stukken worden niet als processtukken aangemerkt en zijn bedoeld voor interne identificatie door de rechtbank. De rechtbank roept partijen op om de rapporten van deskundigen niet openbaar te maken voordat deze ter zitting zijn gehoord.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de anonimiteit van de verdachten en wijst verzoeken tot inzage van interne stukken af.

Uitspraak

Rechtbank den haag
Datum: 20 april 2017
De rechtbank Den Haag, meervoudige kamer belast met de behandeling van strafzaken, heeft naar aanleiding van de ter terechtzitting van 6 april 2017 gedane verzoeken de navolgende beslissing genomen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachten, door de officier van justitie gedagvaard als:
parketnummer: 09/767223-15
DH01,
domicilie kiezende te Den Haag, 2585 BG, Burgemeester Patijnlaan 35;
en
parketnummer: 09/837305-15
DH02,
domicilie kiezende te Den Haag, 2585 BG, Burgemeester Patijnlaan 35.

Vragen, te stellen aan de deskundigen.

Ter zitting van 6 april 2017 heeft de rechtbank de vragen geformuleerd die naar haar oordeel gesteld zouden moeten worden aan de patholoog Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe en de forensisch arts D. Botter. De procesdeelnemers zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Naar aanleiding van die reacties overweegt en beslist de rechtbank als volgt.
Door
mr. Korveris verzocht aan de te benoemen deskundigen tevens te vragen te reageren op het ter terechtzitting van 6 april 2017 aan het dossier toegevoegde rapport van de patholoog Dr. F.R.W. van de Goot. De rechtbank wijst dat verzoek toe en zal dit in de vraagstelling verwerken.
Mr. Korverheeft tevens verzocht om niet alleen aan de forensisch arts, maar ook aan een patholoog - niet zijnde Dr. Soerdjbalie-Maikoe - dan wel een hoogleraar pathologie een vraag te stellen over de verschillen in vakgebied. De rechtbank is van oordeel dat het (ook) stellen van die vraag aan Dr. Soerdjbalie-Maikoe voldoende tegemoet komt aan de wens om vanuit het vakgebied van de patholoog een oordeel daaromtrent te verkrijgen. De vraagstelling zal aldus worden uitgebreid.
Mr. Roethofheeft twee vragen geformuleerd die zien op mogelijk bij de politie levende voorkeuren voor deskundigen in zaken van overlijden na politiegeweld en op eerdere rapportages van Dr. Das. De rechtbank acht beantwoording van deze vragen niet noodzakelijk voor het onderwerp waarover de deskundigen dienen te oordelen (te weten: de doodsoorzaak van de heer Henriquez) en zal deze vragen dan ook niet overnemen.
De definitieve tekst van de aan de deskundigen te stellen vragen zal worden opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 20 april 2017.

Nadere reactie Dr. Das

De raadslieden van verdachtenhebben verzocht om de door hen aangezochte deskundige Dr. Das in de gelegenheid te stellen om, nadat de nadere rapporten van de patholoog en de forensisch arts zijn ontvangen, daarop schriftelijk te reageren alvorens het verhoor op de zitting plaatsvindt. De rechtbank wijst dat verzoek toe.

Openbaarmaking rapporten

De raadslieden van verdachtenhebben de rechtbank verzocht om alle procesdeelnemers te gelasten de rapporten die zullen worden opgesteld door de deskundigen niet in de openbaarheid te brengen totdat die deskundigen ter terechtzitting zijn gehoord.
De rechtbank ziet geen wettelijke grond voor toewijzing van dat verzoek, maar kan zich wel verenigen met de wens om bedoelde stukken niet openbaar te maken, en roept partijen, die overigens ter terechtzitting daarmee konden instemmen, dan ook op om dat niet te doen.

Overleggen correspondentie

Mr. Korverheeft andermaal verzocht om afgifte van de correspondentie tussen de verdediging, de officier van justitie en de rechtbank.
Mr. Roethofheeft zich bij dat verzoek aangesloten. De rechtbank heeft bij gelegenheid van de regiezitting van 20 februari 2017, waar dit verzoek ook werd gedaan, reeds overwogen dat dergelijke correspondentie niet valt aan te merken als processtukken die voor afgifte of inzage in aanmerking komen. De rechtbank handhaaft die overweging en wijst het verzoek af.

Openbaar maken van de namen van de verdachten

De rechtbank stelt voorop dat zij reeds op de regiezitting van 20 februari 2017 te kennen heeft gegeven dat zij van oordeel is dat er voor het anoniem optreden van de verdachten in deze zaak aanleiding is, gelet op stukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen en waaruit voldoende blijkt dat de veiligheid van de verdachten een dergelijk anoniem optreden noodzakelijk maakt [1] . Op diezelfde zitting heeft de rechtbank een verzoek van de raadslieden van de nabestaanden tot het verstrekken van de namen van de verdachten afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in de procestukken van deze zaak (die reeds zijn afgegeven) de namen van de verdachten niet voorkomen en dat die namen op zich niet vallen aan te merken als processtukken die in aanmerking zouden kunnen komen voor inzage of afgifte [2] .
Mr. Korverheeft op de zitting van 6 april 2017 het op de eerdere zitting gedane verzoek herhaald onder verwijzing naar de daarvoor door hem indertijd gegeven onderbouwing. De rechtbank verwijst naar haar zojuist geciteerde oordeel. Zij ziet geen reden om van dat oordeel af te wijken en handhaaft haar op de zitting van 22 februari 2017 gegeven beslissing.
Voorts heeft
mr. Korverhet verzoek om afgifte uitgebreid tot stukken op basis waarvan de rechtbank de identiteit van de verdachten heeft vastgesteld. Dat verzoek is gegrond op de stelling dat dergelijke stukken zijn aan te merken als processtukken, zodat die hadden dienen te worden afgegeven aan de raadslieden van de nabestaanden, nu van een beslissing tot onthouding van die stukken niet is gebleken. De rechtbank overweegt over dit verzoek het volgende.
Zoals reeds herhaaldelijk door de rechtbank is overwogen, komen de namen van verdachten niet in de processtukken voor. Naar aanleiding van het verzoek van mr. Korver heeft de voorzitter ter zitting van 6 april 2017 medegedeeld op welke wijze de rechtbank van de namen van de verdachten op de hoogte is geraakt. Dat is aldus geschied, dat door de officier van justitie aan de voorzitter een exemplaar van de dagvaarding ter hand is gesteld, waarop de naam van de respectieve verdachte staat vermeld.
Anders dan door mr. Korver is aangevoerd, kan een dergelijk stuk niet gelden als een processtuk. De geanonimiseerde dagvaarding is dat wel, en die is dan ook aan de raadslieden afgegeven. Het aan de voorzitter ter hand gestelde stuk betreft een intern stuk, uitsluitend bedoeld om de rechtbank in staat te stellen de verdachten te identificeren, hetgeen voorafgaand aan de zitting van 20 februari 2017 ook is gebeurd. Hetzelfde geldt voor het op naam gestelde uittreksel uit het justitieel documentatieregister dat, zoals door de voorzitter ter zitting van 6 april 2017 is medegedeeld, door de officier van justitie aan hem is getoond. Ook dat is - anders dan het geanonimiseerde uittreksel - geen processtuk, maar een stuk, bedoeld om de rechtbank zekerheid te verschaffen omtrent de tenaamstelling van het uittreksel.
De slotsom is dat de door de rechtbank ten behoeve van het identificeren van de verdachte gehanteerde stukken niet als processtukken zijn aan te merken zodat het verzoek om die stukken in te zien dan wel af te geven, wordt afgewezen.
Deze beslissing is genomen door
mr. J.W. du Pon, voorzitter,
mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp en N.F.H. van Eijk, rechters,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en medegedeeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 april 2017.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van de zitting van 22 februari 2017, blz. 4
2.Proces-verbaal van de zitting van 22 februari 2017, blz. 16