ECLI:NL:RBDHA:2017:4044
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van het vasthouden van paspoort tijdens aanvraag toetsing EU-recht
Eiser, een Britse onderdaan, werd op 3 oktober 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld en zijn paspoort werd ingenomen. Na beëindiging van de bewaring gaf verweerder het paspoort niet terug. Eiser stelde dat hij rechtmatig verblijf had op grond van EU-recht en dat hij daarom zijn paspoort moest terugkrijgen om aan de identificatieplicht te voldoen en werk te kunnen zoeken.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen rechtmatig verblijf ontleent aan zijn aanvraag tot toetsing aan artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De brief van 19 april 2016 werd door verweerder als aanvraag opgevat, maar de rechtbank concludeerde dat een dergelijke aanvraag geen rechtmatig verblijf met zich meebrengt. Dit volgt ook niet uit het stelsel van het EU-recht, aangezien het hier gaat om vaststelling van rechten en niet om het verlenen van verblijf.
Verweerder mocht op grond van artikel 4.23 van het Vreemdelingenbesluit 2000 het paspoort tijdelijk in bewaring houden met het oog op uitzetting. Eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van het paspoort hem onoverkomelijke problemen opleverde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bevestigt dat het vasthouden van het paspoort rechtmatig is zolang eiser geen rechtmatig verblijf heeft.