ECLI:NL:RBDHA:2017:3185

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 maart 2017
Publicatiedatum
30 maart 2017
Zaaknummer
AWB 17/4540
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3.37f VV 2000Art. 8:81 AwbArt. 14 Vw 2000Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning Tunesische aanvrager

Verzoeker, van Tunesische nationaliteit, heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door verweerder is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan verzoeker geen uitstel van vertrek verleend en is een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld in het kader van artikel 8:81 Awb Pro, waarbij onverwijlde spoed en belangenafweging centraal staan. De rechtbank constateert dat de ministeriële regeling waarbij Tunesië als veilig land van herkomst is aangemerkt, niet voldoende is onderbouwd en daarom onverbindend is verklaard voor zover Tunesië betreft.

Desondanks ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, mede omdat de hoofdzaak reeds is beslist en het verzoek om voorlopige voorziening daarmee overbodig is geworden. Het verzoek wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/4540
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , van Tunesische nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren)
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).

Procesverloop

Bij bestreden besluit van 27 februari 2017 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts heeft verweerder aan verzoeker geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw 2000 verleend en is aan hem geen uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw 2000 verleend. Tevens heeft verweerder aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat verzoeker Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 17/4539). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2017, waar het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig zijn behandeld. Verzoeker en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, onder meer indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter is verzocht om hangende het beroep met zaaknummer
AWB 17/4539 een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep is beslist.
3. De rechtbank heeft heden uitspraak gedaan op het beroep. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.A. Buijs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Vugt-Jansen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.