ECLI:NL:RBDHA:2017:317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
16 januari 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7775
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.25 Wet IB 2001Art. 8.16a Wet IB 2001Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong)
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar tegen aanslag inkomstenbelasting 2014 inzake zorgkosten en kortingen

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2014, waarbij hij onder meer specifieke zorgkosten, uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten van 21 jaar of ouder, restant persoonsgebonden aftrek en de jonggehandicaptenkorting heeft opgevoerd.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op aftrekbare zorgkosten, aangezien hij geen bewijsstukken heeft overgelegd. Ook is vastgesteld dat de zoon van eiser jonger is dan 21 jaar en op hetzelfde adres woont, waardoor geen recht bestaat op vergoeding voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten van 21 jaar of ouder. Daarnaast is niet gebleken dat verweerder een onjuist bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek heeft gehanteerd.

Ten slotte is vastgesteld dat eiser geen recht heeft op de jonggehandicaptenkorting omdat hij geen uitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong ontvangt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2014 wordt bevestigd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 16/7775

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

17 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 22 augustus 2016 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 19 december 2016 naar het adres [adres] te [woonplaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 20 december 2016 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan. Daarbij heeft eiser een bedrag van € 5.855 aan ingehouden loonheffing vermeld, € 2.100 in aftrek gebracht voor specifieke zorgkosten en € 2.100 in aftrek gebracht voor uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten van 21 jaar of ouder. Ook heeft eiser aangegeven dat het restant persoonsgebonden aftrek over vorige jaren € 4.000 bedraagt en heeft hij aangegeven dat hij recht heeft op de alleenstaandeouderkorting en de jonggehandicaptenkorting.
2. Bij het vaststellen van de aanslag is verweerder met een bedrag van € 1.365 afgeweken van de door eiser aangegeven loonheffing, zijn de door eiser aangegeven specifieke zorgkosten en uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten niet geaccepteerd, is met een bedrag van € 3.271 afgeweken van het restant persoonsgebonden aftrek over vorige jaren en is de door eiser verzochte jonggehandicaptenkorting niet verleend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 17.458 en tevens is € 11 aan belastingrente vergoed. Uit de aanslag volgt dat eiser recht heeft op een teruggave van € 644.
3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
4. In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld en of tot het juiste bedrag belastingrente is vergoed.
5. Eiser stelt in het bijzonder dat zijn zoon diabetisch patiënt is en dat hij kosten heeft gemaakt die verband houden met de ziekte van zijn zoon, zoals reiskosten en kosten voor boodschappen. Het is voor eiser echter onmogelijk om bewijsstukken te overleggen, omdat hij deze kosten dagelijks maakt.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.
7. De rechtbank overweegt allereerst dat niet is gebleken dat verweerder de ingehouden loonheffing onjuist heeft berekend.
8. Met betrekking tot de specifieke zorgkosten heeft verweerder zich in beroep nader op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde reiskosten voor aftrek in aanmerking komen. Omdat een nadere specificatie hieromtrent ontbreekt, heeft verweerder de reiskosten geschat op in totaal € 100. Vanwege de van toepassing zijnde drempel, leidt dit echter nog niet tot aftrek. Met betrekking tot de overige uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op eiser de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voor aftrek voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in deze op hem rustende bewijslast geslaagd. Eiser heeft immers geen bewijsstukken, zoals rekeningen en/of betaalbewijzen, overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2014 specifieke zorgkosten heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij specifieke zorgkosten over het jaar 2014 heeft gemaakt die uitkomen boven de voor hem geldende drempel voor dat jaar.
9. In artikel 6.25, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat weekenduitgaven voor gehandicapten de extra uitgaven zijn die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind te verzorgen, mits dit kind 21 jaar of ouder is en doorgaans in een inrichting verblijft. Nu de zoon van eiser jonger is dan 21 jaar en op hetzelfde adres als eiser woonachtig is, heeft eiser geen recht op vergoeding voor uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten van 21 jaar of ouder.
10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder van een onjuist bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek is uitgegaan.
11. Op grond van artikel 8.16a van de Wet IB 2001 geldt de jonggehandicaptenkorting voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderkorting geldt. Niet gebleken is dat eiser recht heeft op een uitkering of op arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong, zodat naar het oordeel van de rechtbank verweerder de jonggehandicaptenkorting terecht niet heeft verleend.
12. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden ingediend tegen de berekening van de belastingrente. Niet gebleken is dat de belastingrente tot een te laag bedrag is berekend.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.