De rechtbank Den Haag behandelde op 12 januari 2017 de vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (pij-maatregel) opgelegd aan een jeugdige verdachte. De maatregel was op 11 februari 2016 opgelegd met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zou laten behandelen en begeleiden door ASVZ. De bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop waren dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De officier van justitie vorderde tenuitvoerlegging vanwege overtreding van de bijzondere voorwaarden, onderbouwd met een advies van de reclassering waarin werd gesteld dat de veroordeelde afspraken niet steeds was nagekomen. De verdediging voerde aan dat tenuitvoerlegging niet mogelijk was zolang het hoger beroep tegen de veroordeling nog niet was behandeld en dat de pij-maatregel zelf niet dadelijk uitvoerbaar was.
De rechtbank oordeelde dat het instellen van hoger beroep de tenuitvoerlegging van de dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden niet verhindert. Wel achtte zij de overtredingen onvoldoende zwaar om tot tenuitvoerlegging van de maatregel over te gaan. De rechtbank wijzigde de bijzondere voorwaarden door de behandeling en begeleiding bij ASVZ te vervangen door begeleid wonen en voegde een meldplicht toe. Tevens gaf zij opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden en begeleiding te bieden, waarbij de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard.