ECLI:NL:RBDHA:2017:281
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiseres, een Tunesische vrouw, vroeg op 28 april 2016 een visum voor kort verblijf aan om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat zij Nederland zou verlaten voor het verstrijken van het visum.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tijdig was ingediend en ontvankelijk was.
De kern van het geschil was of eiseres voldoende sociale en economische binding met Tunesië had om aannemelijk te maken dat zij Nederland tijdig zou verlaten. Eiseres stelde dat zij voor de zorg van haar bejaarde ouders zorgt en werkzaam is op het boerenbedrijf van haar ouders. De rechtbank vond deze stellingen onvoldoende onderbouwd en overtuigend.
De rechtbank volgde de minister in diens ruime beoordelingsruimte op grond van de Visumcode en oordeelde dat het voornemen van eiseres om Nederland tijdig te verlaten niet aannemelijk was gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de visumaanvraag terecht afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.