ECLI:NL:RBDHA:2017:2731

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2017
Publicatiedatum
21 maart 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4602
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a lid 1 sub d Vreemdelingenwet 2000Art. 83.0a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens ontbreken nieuwe feiten bij opvolgende aanvraag

Eisers, Russische staatsburgers, dienden een opvolgende asielaanvraag in nadat hun eerdere aanvragen waren afgewezen. Zij stelden dat zij nog steeds in negatieve belangstelling stonden van de Russische autoriteiten en overlegden gerechtelijke uitspraken ter onderbouwing.

De staatssecretaris verklaarde de aanvragen niet-ontvankelijk omdat de overgelegde documenten niet als nieuwe relevante elementen konden worden aangemerkt, mede vanwege het ontbreken van authenticiteitsvaststelling door Bureau Documenten. Eisers voerden aan dat het proces-verbaal van het documentenonderzoek niet was verstrekt en dat de documenten toch beoordeeld moesten worden.

De rechtbank oordeelde dat zonder vaststelling van authenticiteit geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het ontbreken van het proces-verbaal deed niet af aan de waarde van het deskundigenadvies. Ook de ambtshalve toetsing naar bijzondere omstandigheden leverde geen nieuwe feiten op.

Daarom waren de niet-ontvankelijkverklaringen terecht en waren de beroepen ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 17/4602, AWB 17/4607 en AWB 17/4611
V-nummers: [nummers]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 21 maart 2017 in de zaken tussen

[eiseres 1], eiseres 1,[eiser], eiser,

[eiseres 2],eiseres 2,
gezamenlijk te noemen: eisers,
gemachtigde M.J. Baaij,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Bondarev.

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke besluiten van 27 februari 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken AWB 17/4604, AWB 17/4609 en AWB 17/4612 (verzoeken), plaatsgevonden op 16 maart 2017.
Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mw. T.L. Vlietstra-Niessen, tolk in de Russische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Russische nationaliteit. Eisers, grootouders en kleinkind, zijn geboren op [geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum]. Op 25 augustus 2014 hebben eisers een aanvraag voor een asielvergunning voor bepaalde tijd ingediend. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat hun dochter in april 2014 tot 3 jaar gevangenis is veroordeeld. Het is eisers onbekend op welke gronden zij veroordeeld is. Eiser wordt ook gezocht door de Russische autoriteiten maar hij weet evenmin wat de reden daarvoor is. Eisers hebben om die reden de Russische Federatie verlaten.
2. Verweerder heeft bij besluiten van 9 november 2015 de aanvragen afgewezen. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. Het relaas is echter ongeloofwaardig bevonden. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft bij uitspraak van 2 mei 2016 (AWB 15/21366) het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 8 augustus 2016 deze uitspraak bevestigd.
3. Eisers hebben op 23 februari 2017 opnieuw een aanvraag voor een asielvergunning voor bepaalde tijd ingediend. Daarbij hebben ze ter onderbouwing van de stelling dat eiser nog steeds in de negatieve belangstelling van de Russische autoriteiten staat gerechtelijke uitspraken van 23 april 2014 en van 19 november 2015 van de rechtbank van Rostov overgelegd.
4. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten de aanvragen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eisers overgelegde documenten niet kunnen worden aangemerkt als relevante nieuwe elementen. Uit het door Bureau Documenten op 4 oktober 2016 verrichte onderzoek blijkt dat er geen referentiemateriaal beschikbaar is om de authenticiteit van de overgelegde documenten te onderzoeken. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling is het aan eisers om de authenticiteit van de overgelegde documenten aan te tonen. Tevens is eiser en eiseres 1 een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
5. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder voornoemde documenten ten onrechte niet als nieuwe feiten heeft aangemerkt. Verder merken eisers op dat verweerder hen het proces-verbaal van het onderzoek van Bureau Documenten niet heeft toegestuurd. Nu de uitslag van het documentenonderzoek niet ten grondslag ligt aan de besluitvorming, dient verweerder de inhoud van de documenten alsnog te betrekken bij zijn beoordeling.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 20 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:733) is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, indien de authenticiteit van de stukken waarmee de desbetreffende vreemdeling de door hem gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wil aantonen, niet is vastgesteld. De authenticiteit van de door eiser overgelegde vonnissen kan vanwege het ontbreken van referentiemateriaal niet worden vastgesteld. De informatie in de documenten wordt verder niet door enig ander concreet bewijs gestaafd. Onder deze omstandigheden is derhalve geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als hiervoor bedoeld. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat sprake is van authentieke documenten.
7. Eisers hebben aangevoerd dat de uitslag van het documentenonderzoek niet ten grondslag ligt aan verweerders besluitvorming omdat zij het proces-verbaal van het onderzoek verricht door Bureau Documenten niet ontvangen hebben. Ter zitting hebben eisers desgevraagd bevestigd dat zij het formulier met de uitslag van het onderzoek, verricht door Bureau Documenten, met betrekking tot de door eisers overgelegde documenten tijdig hebben ontvangen. Uit de motivering van de voornemens blijkt dat verweerder deze informatie heeft betrokken bij zijn besluitvorming. Dat deze bevindingen niet zijn opgenomen in een proces-verbaal, doet niet af aan de waarde van het documentenonderzoek dat als een deskundigenadvies kan worden aangemerkt. Deze beroepsgrond faalt dan ook.
8. Ook de ambtshalve toetsing in het kader van de Bahaddar-uitspraak, thans neergelegd in artikel 83.0a van de Vw, kan eisers niet baten. Van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), is de rechtbank niet gebleken.
9. Gelet op het vooroverwogene heeft verweerder de aanvragen van eisers dan ook terecht op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eisers hebben geen beroepsgronden aangevoerd tegen het opgelegde inreisverbod.
11. De beroepen zijn ongegrond.
12. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden aan partijen op: