ECLI:NL:RBDHA:2017:2658
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende familierechtelijke relatie
Eiser, een Eritrese nationaliteit bezittende vreemdeling, heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd op basis van een familierechtelijke relatie met zijn vermeende broer, de referent. De aanvraag werd afgewezen omdat de relatie niet met voldoende documenten kon worden onderbouwd en er geen sprake was van meer dan normale emotionele banden.
Eiser stelde dat bewijsnood bestond vanwege de moeilijkheid om documenten uit Eritrea te verkrijgen en overhandigde een UNHCR-registratieformulier ter ondersteuning. De rechtbank oordeelde echter dat dit formulier onvoldoende bewijs leverde voor de familierechtelijke relatie en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij serieuze pogingen had ondernomen om relevante documenten te verkrijgen.
Ook verklaringen van familieleden en derden waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank volgde het standpunt van verweerder dat geen aanleiding bestond tot DNA-onderzoek en dat de gezins- of familielevenrelatie als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro niet was aangetoond.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie.