Uitspraak
t.a.v. feit 1 primair:
POGING TOT DOODSLAG;
t.a.v. feit 2:
BEDREIGING MET ZWARE MISHANDELING;
140 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;
Rechtbank Den Haag
Op 17 april 2016 stak de verdachte een persoon in Den Haag met een mes, met de bedoeling hem van het leven te beroven, hetgeen niet is voltooid. Daarnaast bedreigde hij een ander met een mes. De rechtbank achtte het voorwaardelijk opzet en poging tot doodslag bewezen en verwierp het verweer van noodweerexces omdat de verdachte zelf de confrontatie zocht.
Tijdens de zittingen op 10 november 2016 en 23 januari 2017 werd de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat, gehoord. De rechtbank baseerde haar oordeel op getuigenverklaringen en overige bewijsmiddelen, waarbij werd vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer met een mes stak en een ander bedreigde.
De rechtbank legde een jeugddetentie van 213 dagen op, waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan een meldplicht bij de jeugdreclassering en behandeling bij De Waag. Tevens werd een schadevergoeding van € 2117,90 toegewezen aan het slachtoffer. De verdachte werd veroordeeld tot betaling aan de Staat van dit bedrag, met wettelijke rente, en bepaalde dat bij niet-betaling vervangende jeugddetentie van 30 dagen zal volgen.
De rechtbank nam ook maatregelen ten aanzien van in beslag genomen goederen, waarbij enkele messen werden onttrokken aan het verkeer en andere goederen aan de rechthebbende werden teruggegeven. De straf is passend geacht gezien de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de impact op het slachtoffer.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 213 dagen jeugddetentie, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding wegens poging tot doodslag en bedreiging.