ECLI:NL:RBDHA:2017:2143

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2017
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
16/4542
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 3 lid 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 141 SrArt. 310 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring bezwaar tegen onjuiste DNA-afname op grond van Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

Veroordeelde was bij vonnis van 3 maart 2015 veroordeeld voor openlijke geweldpleging en kreeg een gevangenisstraf opgelegd. Op 28 september 2016 werd op grond van een bevel van de officier van justitie DNA-materiaal van veroordeelde afgenomen. Veroordeelde maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

De rechtbank oordeelt dat het bevel tot afname van DNA-materiaal niet voldeed aan de vereisten van artikel 3 lid 2 van Pro de Wet DNA, omdat het een onjuist parketnummer vermeldde dat toebehoorde aan een ander persoon en een verkeerde strafbepaling noemde. Dit leidt tot een onjuiste registratie van de DNA-gegevens.

Gelet op het belang van correcte gegevens bij opname in de DNA-databank verklaart de rechtbank het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie om het afgenomen celmateriaal onmiddellijk te vernietigen. De uitspraak werd gedaan door rechter R.G.C. Veneman op 28 februari 2017.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname wordt gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Kenmerk RK: 16/4542
Beslissing van 28 februari 2017
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. I. de Vink, Patrijsweg 66, 2289 EX Rijswijk,
tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met parketnummer 09/817571-14.
De rechtbank heeft dit bezwaar op 14 februari 2017 in raadkamer behandeld.
Veroordeelde, bijgestaan door mr. I. de Vink, advocaat te Rijswijk, is in raadkamer gehoord.
De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaar.

Veroordeelde is (in het dossier met parketnummer 09/817571-14) bij uitspraak van 3 maart 2015 door de rechtbank Den Haag veroordeeld ter zake van – kort gezegd – openlijke geweldpleging tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 60 uren. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.
Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 11 augustus 2016, op 28 september 2016 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen. Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 11 oktober 2016 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingekomen.
Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 3 lid 2 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna Wet DNA) moet het bevel tot afname van DNA-materiaal het misdrijf waarvoor de betrokken persoon is veroordeeld omschrijven. Voorts moet het bevel tot afname van DNA-materiaal blijkens voornoemd artikel de strafbeschikking, het vonnis of het arrest vermelden waarbij de veroordeling heeft plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat in onderhavig bevel tot afname van DNA-materiaal d.d. 11 augustus 2016 staat omschreven dat veroordeelde is veroordeeld ter zake artikel 310 en Pro 311 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) in de zaak met parketnummer 09-819664-14. Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is echter gebleken dat voornoemd parketnummer toebehoort aan een ander dan veroordeelde, namelijk [betrokkene] . Voorts is gebleken dat veroordeelde op 3 maart 2015 niet is veroordeeld ter zake artikel 310 en Pro 311 Sr, maar ter zake 141 Sr.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 3 lid 2 van Pro de Wet DNA. Het bevel tot afname van DNA-materiaal wordt aldus gegrond op een onjuist parketnummer. Naar het oordeel van de rechtbank is het, onder meer gelet op de mogelijke gevolgen van opname van DNA-gegevens in de DNA-databank, van het grootste belang dat de registratie daarvan wordt gebaseerd op de juiste gegevens. Dat brengt in ieder geval met zich mee dat in een bevel tot afname van DNA-materiaal de juiste gegevens van de veroordeelden ex artikel 3 lid 2 Wet Pro DNA dienen te zijn opgenomen. Nu dit in de onderhavige situatie niet het geval is, zal de rechtbank het bezwaar gegrond verklaren en bevelen dat de officier van justitie op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet DNA ervoor zorg dient te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. R.G.C. Veneman, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. R.A. Hopman, griffier, en uitgesproken ter zitting van 28 februari 2017.