Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2017 in de zaak tussen
[verzoeker] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Verzoeker wijst op het rapport van ECRE, “Balkan route reversed, The return of asylumseekers tot Croatia under the Dublinsystem”, van 15 december 2016 (pagina 28), waaruit blijkt dat het doorreizen over de Balkanroute een door de autoriteiten georganiseerd karakter had, waarbij nauw werd samengewerkt tussen de landen in de regio. Verder wijst verzoeker op de prejudiciële vragen van Vrhovno sodišče te Ljubljana, de hoogste rechter van Slovenië aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), van 13 september 2016 (C-490/16), mede over de uitleg van het begrip ‘illegale inreis’ in een situatie van een door de autoriteiten georganiseerde doorreis. Tevens wijst verzoeker op de uitspraak van het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof van 16 november 2016 (Ra 2016/18/0172 bis 0177-10), dat heeft bepaald dat in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen Dublinoverdrachten naar Kroatië worden opgeschort.
Uit verklaringen van verzoeker is niet gebleken dat hij met geldige documenten, zoals een paspoort met een (Schengen)visum, de EU, in dit geval Kroatië, is ingereisd. Verzoeker heeft immers verklaard dat hij zijn paspoort in Turkije is kwijtgeraakt. Onder die omstandigheden zijn er vingerafdrukken bij hem genomen, zoals hij ook zelf heeft verklaard. Daarmee is in Eurodac vastgelegd dat verzoeker de buitengrens van de lidstaten, die zijn gebonden aan de Eurodacverordening, op 9 november 2015 op illegale wijze via Kroatië heeft overschreden. Anders dan verzoeker stelt, is daarom wel degelijk sprake van een illegale inreis in de zin van de Dublinverordening.
Verweerder ziet geen aanleiding om de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen door de hoogste rechter van Slovenië over de uitleg van het begrip ‘illegale inreis’ in artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening af te wachten. De enkele omstandigheid dat deze vragen zijn gesteld, maakt niet dat deze zaak aangehouden dient te worden. De vragen hebben immers geen rechtskracht en vormen geen aanleiding om niet uit te gaan van de toepassing van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt, dat hij geen aanleiding ziet de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen af te wachten, nader toegelicht. Hij betoogt dat uit de Dublinverordening weliswaar niet blijkt wat onder illegale inreis in de zin van artikel 13, eerste lid, moet worden verstaan, maar dat aansluiting moet worden gezocht bij de definitie van illegaal verblijf in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) en de toegangsvoorwaarden van artikel 6 van Pro de Verordening (EU) 2016/399 (de Schengengrenscode). Vaststaat dat eiser bij overschrijding van de grens met Kroatië niet aan die toegangsvoorwaarden voldeed. Voorts zou een andere uitleg van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening in strijd zijn met de doelstelling van de Dublinverordening, omdat een lidstaat door asielzoekers georganiseerd door te geleiden naar een volgende lidstaat, zijn verantwoordelijkheid op grond van de Dublinverordening zou kunnen ontlopen.
Voorts is overwogen dat de uitleg van artikel 13, eerste lid, van de Verordening ook de mogelijkheid biedt, en des te meer gelet op de verschillende taalversies, het standpunt te verdedigen dat een passage van migranten die wordt georganiseerd door de overheid met het oog op een doorreis, niet betekent dat de nationale grens onregelmatig of illegaal is overschreden. Voorts is aanmerking genomen dat, net zo als in de situatie van eiser, de Kroatische autoriteiten de voorwaarden van binnenkomst en verblijf niet hebben gecontroleerd. Zij hebben slechts de doorreis naar de volgende lidstaat georganiseerd.
Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt verweerder verzoeker over te dragen aan Kroatië tot vier weken na verzending van de uitspraak van deze rechtbank op het beroep van verzoeker;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 990,- te betalen aan verzoeker.