ECLI:NL:RBDHA:2017:2060
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld
Eiser, een Sri Lankaans staatsburger, diende een aanvraag in tot wijziging van zijn verblijfsvergunning naar niet-tijdelijke humanitaire gronden omdat hij slachtoffer zou zijn van huiselijk geweld binnen zijn huwelijk. Verweerder wees deze aanvraag af en trok tevens de verblijfsvergunning in onder de beperking verblijf bij echtgenote, omdat de relatie was verbroken en eiser onvoldoende bewijs leverde van huiselijk geweld.
Eiser voerde aan dat hij niet verplicht kon worden aangifte te doen, dat het ontbreken van het woord 'kennelijk' in het besluit een schending van de hoorplicht betekende en dat zijn asielmotieven ten onrechte niet werden meegewogen. Verweerder erkende dat het paspoortargument onjuist was, maar handhaafde verder het standpunt.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond verklaarde. De relatie was verbroken, eiser voldeed niet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en de bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb Pro waren onvoldoende om van beleid af te wijken. Ook was geen sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat eiser geen bijzondere binding met Nederland had en terugkeer naar Sri Lanka mogelijk was.
De rechtbank vond dat de hoorplicht niet was geschonden en dat de asielmotieven via een aparte procedure konden worden ingebracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden is ongegrond verklaard.