Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
V-nummer: [nummer]
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraakse nationaliteithebbende, diende op 23 oktober 2015 een asielaanvraag in, stellende dat hij problemen ondervond door de sji’itische militie Asaib Ahl al-Haq (AAH) en vreest voor gedwongen rekrutering.
Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarbij de rechtbank de identiteit en nationaliteit van eiser aannemelijk achtte, evenals enkele feiten zoals een mishandeling op 6 mei 2015. Echter, het relaas over de weigering tot toelating tot het tweede studiejaar en de gebeurtenissen van 18 september 2015 achtte de rechtbank ongeloofwaardig.
Eiser bracht in beroep aanvullende argumenten aan, waaronder een dreigbrief en foto’s, maar deze werden niet als authentiek of overtuigend beoordeeld. Ook de vrees voor gedwongen rekrutering werd niet aannemelijk geacht, mede omdat dit pas in beroep werd ingebracht en niet eerder tijdens het nader gehoor.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn asielverzoek gegrond is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van het relaas en de vrees voor gedwongen rekrutering.