ECLI:NL:RBDHA:2017:1802
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kindgebonden budget op grond van kinderbijslagtoekenning door SVB
Eiseres vroeg kindgebonden budget aan voor de jaren 2014 en 2015, gebaseerd op haar rechtmatig verblijf bij haar kind in Nederland. Verweerder wees de aanvragen af omdat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) nog geen kinderbijslag had toegekend. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat verweerder een eigen afweging moest maken in plaats van af te gaan op de SVB.
De SVB kende uiteindelijk kinderbijslag toe vanaf het vierde kwartaal van 2014, maar deze informatie was ten tijde van het bestreden besluit nog niet beschikbaar. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvragen afwees op grond van artikel 2 van Pro de Wet op het kindgebonden budget (Wkb), die vereist dat kinderbijslag wordt toegekend volgens artikel 18 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet.
De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat verweerder een eigen toetsingsbevoegdheid heeft en vond geen strijd met EU-recht omdat er voldoende rechtsbescherming is via de bestuursrechter tegen SVB-besluiten. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het kindgebonden budget wordt ongegrond verklaard.