Uitspraak
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van7 februari 2017 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
Rechtbank Den Haag
Eiseres had in 2012 de kinderopvangtoeslag 2009 definitief vastgesteld gekregen op nihil. In juni 2015 verzocht zij om herziening van deze toeslag, maar verweerder wees dit verzoek af omdat het verzoek meer dan vijf jaar na het berekeningsjaar 2009 werd ingediend. De rechtbank oordeelde dat dit terecht was op grond van artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir.
Eiseres stelde dat de termijn van vijf jaar pas begint te lopen vanaf het moment van een definitieve beslissing over de toeslag, maar de rechtbank vond deze uitleg niet verenigbaar met de duidelijke wettelijke tekst. Tevens wees de rechtbank op een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) waarin werd bevestigd dat de beslistermijnen in artikel 19 Awir Pro niet de bevoegdheid van verweerder beperken.
Verder stelde eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase, maar de rechtbank vond dat verweerder terecht van een hoorgesprek heeft afgezien omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2009 is ongegrond verklaard wegens overschrijding van de vijfjaars termijn.