ECLI:NL:RBDHA:2017:16750

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 december 2017
Publicatiedatum
21 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5197
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet IB 2001Art. 3.1 Wet IB 2001Art. 3.101 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001Art. 12 Belastingverdrag Nederland-DuitslandArt. 20 lid 3 Belastingverdrag Nederland-Duitsland
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken tot vermindering aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen wegens volledige heffing Altersrente

Eiser, die in de jaren 2011 tot en met 2014 in Nederland woonde en een wettelijk ouderdomspensioen uit Duitsland ontving, verzocht om vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Hij stelde dat 42% van de Altersrente vrijgesteld moest worden vanwege de Duitse wetgeving, terwijl de overige 58% belastbaar zou zijn.

De Belastingdienst wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de Altersrente als een periodieke uitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling kwalificeert en volledig in de Nederlandse heffingsgrondslag moet worden betrokken. Het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland kent het heffingsrecht over deze uitkeringen toe aan Duitsland, waardoor Nederland belastingvermindering verleent volgens de vrijstellingsmethode.

De rechtbank concludeert dat de Wet inkomstenbelasting 2001 geen ruimte biedt voor gedeeltelijke vrijstelling van de Altersrente en dat eiser geen recht heeft op vermindering van de aanslagen. Tevens wijst de rechtbank het beroep af en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter A.D. van Riel op 14 december 2017.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de volledige Altersrente wordt in de Nederlandse heffingsgrondslag betrokken.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 17/5197, SGR 17/5203, SGR 17/5205 en SGR 17/5209

proces-verbaal van de mondelinge uitspraken van de enkelvoudige kamer van

14 december 2017 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Rotterdam, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 12 juni 2017 op het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de verzoeken tot vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2011 tot en met 2014.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft vanaf 1 juli 1982 tot 30 juni 1994 in Duitsland gewoond. Gedurende de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 woonde eiser in Nederland en ontving hij jaarlijks een uit Duitsland afkomstig wettelijk ouderdomspensioen (Altersrente). Eiser heeft deze inkomsten ten bedrage van respectievelijk € 7.112 (2011), € 7.225 (2012), € 7.312 (2013) en € 7.382 (2014) in zijn aangiften voor die jaren aangegeven.
2. In de aangiften IB/PVV voor de onderhavige jaren heeft eiser verzocht om voorkoming van dubbele belasting.
3. Naar aanleiding van de ingediende aangiften IB/PVV zijn voor die jaren voorlopige aanslagen opgelegd conform de ingediende aangiften waarmee aftrek in verband met elders belast inkomen is verleend.
4. Vervolgens zijn met betrekking tot de onderhavige jaren definitieve aanslagen opgelegd conform de ingediende aangiften. In die aanslagen is eveneens aftrek in verband met elders belast inkomen verleend en wel ten bedrage van respectievelijk € 2.559 (2011),
€ 2.609 (2012), € 2.726 (2013) en € 2.749 (2014).
5. Op 8 juni 2016 heeft eiser verzocht om vermindering van de definitieve aanslagen IB/PVV voor de onderhavige jaren. Verweerder heeft bij besluit van 6 februari 2017 het verzoek tot vermindering van de definitieve aanslagen IB/PVV voor de onderhavige jaren afgewezen.
6. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 februari 2017. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 juni 2017 het bezwaar afgewezen.
7. In geschil is of de Altersrente volledig (100 %) in de Nederlandse heffingsgrondslag betrokken moet worden.
8. Eiser stelt dat het bedrag van de Altersrente voor 42 % dient te worden vrijgesteld en dat de overige 58 % van de Altersrente in de Nederlandse heffingsgrondslag kan worden begrepen. Dit vindt hij redelijk omdat op grond van de Duitse wetgeving 42% van de ontvangen Altersrente onbelast is.
9. Verweerder stelt dat de Altersrente voor het hele bedrag in de Nederlandse heffingsgrondslag dient te worden begrepen.
10. Niet in geschil is dat eiser ingevolge artikel 2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) binnenlands belastingplichtige is. Naar het oordeel van de rechtbank is de Altersrente aan te merken als een periodieke uitkering of verstrekking die wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Daarmee behoort het op grond van artikel 3.1 van de Wet IB 2001 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. Gelet hierop dient de Altersrente in zijn geheel in de heffing van inkomstenbelasting te worden betrokken.
11. Ingevolge artikel 12 van Pro de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, Trb 1959, 85 (het - oude - Belastingverdrag Nederland Duitsland) komt het recht tot belastingheffing voor uitkeringen op grond van Altersrente toe aan de bronstaat, dat is in casu Duitsland. Ingevolge artikel 20, derde lid, van het Belastingverdrag Nederland Duitsland heeft eiser dan recht op voorkoming van dubbele belasting en wordt de belastingvermindering op grond van artikel 10 van Pro het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 verleend volgens de vrijstellingsmethode.
12. Uit de definitieve aanslagen IB/PVV voor de onderhavige jaren blijkt onder het kopje ‘Aftrek elders belast inkomen’ dat met de belastingvermindering rekening is gehouden.
13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de Altersrente volledig in de heffingsgrondslag betrokken. De Wet IB 2001 biedt niet de mogelijkheid om een gedeelte van de Altersrente buiten beschouwing te laten.
14. Voor zover eiser de wettelijke bepalingen onbillijk en onrechtvaardig acht merkt de rechtbank op dat de rechter op grond van artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.
15. De stelling van eiser dat verweerder hem onvolledig heeft voorgelicht kan er, wat daar ook van zij, niet toe leiden dat de aanslag vernietigd of verminderd wordt.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, moeten de beroepen ongegrond te worden verklaard.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
14 december 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.