ECLI:NL:RBDHA:2017:16483
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs van belediging politieambtenaar
De zaak betrof een verdachte die werd beschuldigd van het beledigen van een politiebrigadier door het versturen van een brief en e-mail met beschuldigingen over mishandeling, huisvredebreuk en discriminatie door de politie.
Tijdens de terechtzitting gaf verdachte een verklaring waarin zij het politieoptreden heftig vond en zich beroept op haar zwijgrecht met betrekking tot de bedoelingen achter haar uitlatingen. De officier van justitie stelde dat de uitlatingen onnodig grievend waren en dat verdachte bewust de kans aanvaardde dat de beledigende teksten bij de politie zouden aankomen.
De politierechter overwoog dat het indienen van een klacht niet hetzelfde is als een vertrouwelijke brief en dat de betrokken politiefunctionaris een afschrift van de klacht ontvangt. Echter, de rechter vond dat de uitlatingen in de context van een klachtprocedure waren gedaan en niet als belediging konden worden aangemerkt. De verdachte werd vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat zij het ten laste gelegde feit had begaan.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde feit van belediging.