ECLI:NL:RBDHA:2017:16325
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan
Eisers, van Pakistaanse nationaliteit, vroegen een visum voor kort verblijf aan om hun zoon in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken weigerde dit visum omdat eisers onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan hadden aangetoond en er sprake was van een verhoogd migratierisico vanwege hun lidmaatschap van de Ahmadya minderheid.
Eisers betoogden dat het visum noodzakelijk was voor familiebezoek omdat hun zoon niet naar Pakistan kan reizen en dat zij geen intentie hadden om in Nederland te verblijven. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht een ruime beoordelingsruimte had bij het beoordelen van het vestigingsgevaar en dat eisers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij tijdig zouden terugkeren.
De rechtbank verwierp ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro omdat een visum kort verblijf niet bedoeld is voor langdurig verblijf en geen permanente bijdrage levert aan familieleven. Verder was het besluit om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren gegrond omdat het bezwaar geen kans op een ander besluit bood.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding en verhoogd migratierisico.