ECLI:NL:RBDHA:2017:16304
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot onmiddellijke vrijlating wegens vermeende termijnoverschrijding voorlopige hechtenis
Eiser werd op 21 mei 2017 aangehouden als verdachte van winkeldiefstal en in voorlopige hechtenis gesteld. De gevangenhouding werd aanvankelijk voor 60 dagen bevolen, maar eiser werd later opnieuw aangehouden, waarna de voorlopige hechtenis werd voortgezet. Eiser vorderde in kort geding onmiddellijke vrijlating wegens vermeende termijnoverschrijding van de voorlopige hechtenis, waarbij hij stelde dat hij zonder wettelijke titel werd vastgehouden, wat in strijd zou zijn met artikel 5 EVRM Pro.
De Staat voerde verweer dat eiser niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat hij op grond van artikel 69 Wetboek Pro van Strafvordering een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis kan indienen bij de raadkamer. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze procedure een voldoende waarborg biedt en dat artikel 69 Sv Pro ook van toepassing is als de voorlopige hechtenis van rechtswege zou zijn geëindigd.
Daarom werd eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot onmiddellijke vrijlating en veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 20 december 2017.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot onmiddellijke vrijlating en veroordeeld in de proceskosten.